Afdrukbare versie van dit artikel Afdrukbare versie

Immigratie

Geschiedenis van het beeld van de migrant sinds 1831

17 augustus 2017 Youri Lou Vertongen
Dit artikel is een herpublicatie van het artikel dat eerst verscheen op 15 Mei 2015

Pas de licence spécifique (droits par défaut)

Dit artikel tracht de oorsprong te achterhalen van de vele termen die werden gebruikt om “illegale migranten” te beschrijven. We zullen vaststellen dat in België elke nieuwe bepaling met betrekking tot migratie een beeld van de vreemdeling officialiseert dat vaak discrimineert, onwettig verklaart, uitsluit.

Van de onafhankelijkheid van België tot de Eerste Wereldoorlog, was de jonge Belgische staat een asielland voor liberale dissidenten, enkele revolutionairen en voor artiesten die in de naburige landen in ongenade vallen. Maar parallel aan deze principiële openheid, houden de bijzondere politiediensten de nieuwkomers in het oog, stellen ze registers op, spioneren ze, en wijzen ze soms zelfs uit, zeker in het geval van de “politieke” vreemdelingen. De door de staat gevreesde figuur is dan die van de “vreemdeling-spion”, dat is de vreemdeling die door een vijandelijk buurland wordt gestuurd om van binnenuit de ontwikkeling van de nieuwe bufferstaat in de gaten te houden.

Na de Tweede Wereldoorlog gaat het productieherstel gepaard met een wervingscampagne van arbeiders, afkomstig uit Polen en vooral uit Italië. Maar de mijnramp van Bois du Cazier, waarbij 262 ondergrondse mijnwerkers om het leven komen, maakt in 1956 een einde aan de overeenkomst tussen België en Italië over de aanwerving van buitenlandse arbeidskrachten. Nieuwe grenzen gaan open voor de mijnen en de Waalse industrie waarna de nieuwe arbeidskrachten vooral uit Marokko en Turkije komen.

Tot in de jaren vijftig bemoeit de staat zich weinig met het beheer van de buitenlandse arbeidskrachten. Dit laatste is voornamelijk gearrangeerd door de werkgevers volgens het principe van de “dubbele voorafgaande vergunning” [1]” Deze periode wordt door het beeld van de “werkende migrant” gekenmerkt: een vreemdeling (een jonge alleenstaande man) die gereduceerd is tot zijn “lichaams-productiekracht”. De vreemdelingen hebben niet de bedoeling om zich in België te vestigen, maar moeten slechts de taak uitvoeren waarvoor hij de “dubbele voorafgaande vergunning” krijgt.

Geleidelijk aan wordt de gezinshereniging beschouwd als een oplossing voor de autochtone bevolkingsvergrijzing. Er wordt op gerekend dat migranten met hun gezin aankomen zodat processen van “integratie” en zelfs “assimilatie” kunnen ontstaan.

In de rijke jaren zestig stemmen de werkgevers, de vakbonden en de politie zwijgend in om de wet van de “dubbele voorafgaande vergunning” te ontwijken. Deze wet wordt door een toeristenvisum vervangen waarna migranten bij hun aankomst in België na een medisch onderzoek geregulariseerd worden. Zo worden ongeveer 200 000 buitenlandse werknemers geregulariseerd. Die “toerist-migrant” figuur creëert een negatief beeld: dat van de migratie via een kunstgreep waardoor het mogelijk is om buitenlandse arbeiders sneller en makkelijker in België te laten komen zonder met de administratieve regelgeving rekening te houden.

Aan het einde van de jaren zestig vrezen de vakbonden, met de economische neergang en de stijging van de werkloosheid, de oneerlijke concurrentie van de buitenlandse werknemers. Daarom houdt de staat zich opnieuw aan een strikte toepassing van de “dubbele voorafgaande vergunning”. Niettemin zal die wet het toestromen van vreemdelingen niet tegenhouden die blijven komen met een “toeristenvisum” maar nu zonder geregulariseerd te worden. Wanneer hun visum afgelopen is, veranderen ze van verblijfsstatus: van “toeristen” worden ze “zonder papieren”. Dit tijdperk markeert de verschijning van de figuur van de “clandestiene arbeider”: kortom, arbeidskrachten die geen maatschappelijke of politieke rechten bezitten.

Parallel aan die beperkende maatregelen van arbeidsimmigratie, viseert het ministerie van Justitie ook de buitenlandse studenten en vraagt “aan schooldirecteurs om de controle op hun buitenlandse publiek te versterken” [2]. Die maatregel leidt tot de eerste hongerstaking van buitenlandse studenten van de UCL (Université catholique de Louvain) die gelijke rechten opeisen. Daarbij worden ze door vele solidaire Belgische studenten geholpen. Die beweging veroorzaakt een eerste fase in de politisering van het beeld van de migrant: niet slechts een “arbeider” of “een toerist”, maar “een politieke onderdaan” die zijn rechten opeist.

Geïnspireerd door de beweging van de Arabische arbeiders (Mouvement des Travailleurs Arabes) die dan in Frankrijk actief was, vroeg een grote groep arbeidsmigranten via MRAX (Mouvement contre le racisme, l’antisémitisme et la xénophobie) in 1974 de noodzakelijke vergunningen voor een betoging in Brussel . Die vergunning wordt eerst gegeven en daarna ingetrokken. Toch vindt de betoging plaats maar die wordt door de politiemacht hardhandig onderdrukt (charges, arrestaties…). Die gebeurtenis markeert het begin van een periode waarin er steeds meer gelijke rechten worden opgeëist: in die context wordt een kerk in Schaarbeek bezet die door een hongerstakingsoproep wordt gevolgd. Voor de eerste keer zet een groep buitenlandse arbeiders met een collectieve actie hun eisen kracht bij: een verblijfsvergunning en een arbeidsvergunning. Maar na een tiental dagen bezetting dringt de politie de kerk binnen, houdt de 16 stakende arbeidsmigranten aan, brengt ze naar de luchthaven waar een vliegtuig vertrekkensklaar staat. Nauwelijks twee uur na de evacuatie van de kerk worden alle arbeiders naar hun land van herkomst uitgewezen. Zo eindigt de eerste bezettingsbeweging (van een kerk) door migranten in België.

Ongeveer op hetzelfde moment in 1974 beslist de Ministerraad in het kielzog van de verscherping van de “economische crisis” over het officiële einde van de immigratie en dit zonder het parlement te raadplegen. Objectief: immigratie tot nul reduceren. Hoewel dit doel nooit bereikt is, wordt “het probleem van de arbeidsmigranten” veranderd in “het probleem van de migranten” vanwege die beslissing van “de sluiting van de grenzen”.

De overheid wil echter een soort compensatie geven in ruil voor de sluiting van de grenzen. De staat begint aandacht te krijgen voor het racisme waar de vreemdelingen slachtoffer van zijn. Het is alsof men “het beheersen van de toestroom compenseert door het beheren van de voorraad [3]”. Zo ziet de retoriek het licht die een “apolitiek” antiracisme verdedigt, wat het abstracte en victimiserende beeld van de migranten versterkt, en de securitaire bocht van de migratiepolitiek verbergt.

Na 1974 blijft de “asielaanvraag” de laatste wettelijke toegangspoort naar België, en op die manier ontstaat de figuur van de “asielzoeker-vreemdeling”. Een collectieve paranoia versterkt de vrees van de “valse asielzoeker”, dat wil zeggen de vreemdeling die niet “echt in gevaar” is in zijn thuisland en die fraudeert om de grenzen over te steken. Omwille van die verdenking van fraude, wordt het domein van de migratie een bevoegdheid van het ministerie van de Binnenlandse Zaken. Die verandering vertaalt de veiligheidsbocht die de migratiepolitiek op dat moment neemt.

Ondanks de nieuwe beperkende wetten in verband met de gezinshereniging blijven de “asielzoekers” in de jaren 1980 hete hangijzers voor de Staat. Die begint het asielvraagstuk te “beheren” met cijfers, voorraden, stromen en quota, terwijl asiel vroeger een individueel en humanitair vraagstuk was dat afhing van fundamentele rechten.

Vanaf 1988 moeten asielzoekers op een analyse van hun dossier wachten om verdenkingen van fraude op te heffen. Daarom moeten ze twee tot drie dagen in de transitzone van de luchthaven wachten. In die context waar het fantasme van de “valse asielzoeker” alomtegenwoordig is, komt de idee van detentiecentra op tafel en dat van een voorlopige container (het centrum 127) waar de migranten tijdens die “ontvankelijkheidsfase” worden opgeborgen. Maar wat voorlopig moest zijn, wordt langzaam permanent: in 1993 wordt de werking van gesloten centra voor afgewezen asielzoekers door een wet veralgemeend.

De “Wet Vande Lanotte” luidt het bestaan in van “mensen zonder papieren”, dat wil zeggen, volgens de nieuwe wetgeving, “mensen die niet over alle officiële en geldige identiteitsstukken beschikken, bron van rechten en plichten en waar ze hun nationaliteit of verblijfsstatuut mee kunnen bewijzen in het land waar ze zich bevinden.” [4].” Vanaf die periode ontstaat het huidige debat over de “regularisatie van mensen zonder papieren”. Vanaf midden jaren negentig breken betogingen uit tegen gesloten centra, voor regularisatie van mensen zonder papieren, maar vooral tegen de razzia’s en de uitzettingen. Een zoveelste staatsmoord – de jonge Nigeriaanse asielzoekster Semira Adamu wordt tijdens haar uitzetting door de rijkswachters met een kussen verstikt – roept vanaf 1998 een algemene verontwaardiging op en versterkt de weerstand [5].

De creatie van de “mensen zonder papieren” komt dus overeen met een verandering in het migratiebeleid. Het is de naam die gegeven wordt aan immigratie wanneer de kanalen van de wettige immigratie gesloten zijn. Het begrip “mensen zonder papieren” vertaalt die statuutverandering. Kwantitatief gezien gaat de migratie verder zoals vroeger, maar de aard ervan is anders. Het label “mensen zonder papieren” is het resultaat van de symbolische vertegenwoordiging die de “illegale” vreemdelingen aanduidt, wat een gevolg is van de verstrenging van de regelgeving rond het beheer van migratiestromen in Europa.

Vertaling naar het Nederlands : Koessan Gabiam / Marie-Eve Cosemans

Voetnoten

[1Volgens het principe van de “dubbele voorafgaande vergunning” van het Koninklijk Besluit van 31 maart 1930, moeten de migranten over twee vergunningen beschikken: een van het Ministerie van Arbeid, de zogenaamde “arbeidsvergunning”, en de andere die een aanwervingsbelofte is van een werkgever voor een voorafgaand bepaalde periode en werk.

[2BIETLOT, M., La mise à l’écart des étrangers. Centres fermés et expulsions.

[3Interview met M. Bietlot.

[4Bonaventure KAGME, « Sans-papiers en Belgique. Eléments d’analyse d’une catégoriesociale à facettes multiples. » in A la lumière des sans-papiers, éd. Antoine Pickels, Revue de l’Université de Bruxelles, 2000, pg 45.

[5Zie bv. « Collectief tegen de Uitzettingen », « Assemblée des voisins », « Universele Ambassade », « VAK », « UDEP », le « Comité d’Actions et de Soutien (CAS) », « Gettingthevoiceout.org », de « Mouvement des Afghans »,...