Het Observatorium is met vakantie in augustus! We profiteren ervan om enkele oude artikels met actuele waarde opnieuw te publiceren!
Afdrukbare versie van dit artikel Afdrukbare versie

Politiek Leefomgeving

Het milieu als bron van ongelijkheid? Armoede en sociaal de-engagement in de stad

18 augustus 2016 Zoé Lejeune Zoé Lejeune
Vertaling naar het Nederlands: Laura Vermeylen

CC by

Milieuongelijkheden, wat betekent dat precies? De term komt oorspronkelijk uit de Verenigde Staten, waar onderzoekers en activisten een specifieke dimensie van ongelijkheid onder burgers hebben belicht: de zeer verschillende niveaus van blootstelling aan vervuiling (lucht, water en bodem) en vervuilende industrieën en infrastructuren (snelwegen, Seveso-bedrijven), gedifferentieerde toegang tot groene ruimten, de ongelijke landschapskwaliteit van de woonwijk of ongelijke toegang tot energie voor huishoudelijk gebruik, en de impact van die factoren op de gezondheid en de levensverwachting van de bevolking.

De onderzoekers toonden aan dat etnische en raciale minderheden het meest getroffen worden door die ongelijkheden. Die milieudiscriminatie was volgens de onderzoekers zeer aanwezig in de Verenigde Staten. Tegenwoordig focussen onderzoeken veel uitgebreider dan voordien op alle achtergestelde bevolkingsgroepen, in vele landen over de hele wereld.

Om de milieuongelijkheden in België te analyseren, moet men een probleem behandelen dat vaak vergeten wordt door onderzoekers en beleidsmakers: ook in onze samenleving zijn de meest kwetsbaren het slachtoffer van een ongelijk verdeelde milieubelasting. Dit heeft gevolgen voor gezondheid, individueel en familiaal welzijn en
tevredenheid qua woonomgeving: mensen die niet makkelijk van omgeving of woning kunnen veranderen, ervaren meestal het wonen of werken in ongunstige milieuomstandigheden als een extra obstakel voor het welzijn en geluk.

De resultaten van de sociale barometer in Wallonië

In dit artikel analyseer ik de milieuongelijkheden in Wallonië op basis van gegevens verzameld door een opiniepeiling (de sociale Barometer van Wallonië [1]) uitgevoerd door IWEPS [2] in 2012 bij 1298 personen. Ik toon de vele vormen van milieuongelijkheid, de actuele hoge milieubelasting in stedelijke gebieden en het zwakke engagement van de meest kwetsbare burgers om tegen hun leefomgeving op te treden.

Armoede en slechte milieukwaliteit

De meest kwetsbare bevolkingsgroepen worden vaak het meest getroffen door de slechte milieukwaliteit: zowel op microniveau, namelijk de fysieke toestand van hun woonomgeving (vaak minder hygiënisch, in slechtere staat, en van een minder goede bouwkundige kwaliteit, zoals waargenomen door de onderzoekers en niet door de inwoners zelf) als op mesoniveau, en wel in het bijzonder met betrekking tot de vervuilde lucht die de mensen inademen [3]. Bijvoorbeeld wonen 14% van de mensen die een baan hebben in buurten waar de luchtvervuiling hoog is, terwijl dit het geval is bij 27% van de werkzoekenden, wat bijna het dubbele is...

Op het vlak van micro-milieukwaliteit, stel ik vast dat slechts 7% van de tewerkgestelden in “vuile” gebieden woont (waar er regelmatig afval te vinden is), terwijl 24% van de werkzoekenden in dit soort milieuomstandigheden leeft, ze zijn met drie keer zo veel!

Wonen in de stad

De meest kwetsbare bevolkingsgroepen wonen over het algemeen in dichter bevolkte stedelijke gebieden, waar er meer milieuproblemen zijn. Rijkere mensen geven daarentegen de voorkeur aan eengezinswoningen in de stadsrand in zogenaamde ’monofunctionele’ gebieden, dus enkel woonwijken.
Het feit dat men zich in de stad dicht bij een reeks van basisdiensten (bijvoorbeeld apotheken, scholen, banken, gemeentelijke diensten) en het openbaar vervoer bevindt, is een compensatiefactor in vergelijking met bepaalde ’overlast’ in de stad (lawaai, verontreiniging, bevolkingsdichtheid, …). De stad biedt ook gemakkelijker toegang tot werkgelegenheid en opleidingen en een verminderd ruimtelijke isolement. 
Waalse steden kampen met een aantal milieuproblemen zoals luchtvervuiling of ’alledaagse’ aantasting van het milieu en milieuoverlast (vandalisme, graffiti, vuiligheid, enz.), die op hun beurt onbehagen en onveiligheid veroorzaken.

Op het vlak van luchtverontreiniging [4] neem ik in de stad veel problemen waar. Slechts 3% van de gebieden waar de luchtvervuiling hoog is, zijn gebieden met een zeer lage bevolkingsdichtheid (landelijke gebieden of voorstedelijke gebieden), terwijl 54% van de gebieden waar de lucht erg vervuild is, dichtbevolkte tot zeer dichtbevolkte gebieden zijn. Evenzo wordt 92% van die toegankelijke gebieden, die dus eerder centraal liggen en gemengde functies hebben, gekenmerkt door hoge luchtvervuiling. Als de stedelijke gebieden een combinatie vormen van zowel luchtverontreiniging en de armste bevolkingsgroepen, is het duidelijk dat de armen in Wallonië in meer verontreinigde gebieden wonen.

Het de-engagement van burgers

Het is ook in de steden dat de inzet en betrokkenheid van burgers om hun stem te laten horen op het vlak van milieu, zwakker zijn. De verenigingsinzet, waar buurtinitiatieven [5] of milieuverenigingen [6] mee bedoeld worden, alsook het mobiliseren van burgers om van zich te laten horen [7] (een petitie ondertekenen, een betoging houden, staken, enz.) vormen manieren die kunnen bijdragen aan het dwarsbomen van deze toestand en het verbeteren en verdedigen van de levenskwaliteit in de stad.
Uit de enquête blijkt bijvoorbeeld dat mensen die een baan hebben zich meer inzetten om hun stem te laten horen [8] (58% van hen heeft dat al minstens één keer gedaan) dan werkzoekenden (39%).

Mensen die in buurten wonen waar de milieukwaliteit niet zo goed is, investeren ook minder in lokale verenigingen. Slechts 7% van de mensen die in gebieden wonen waar de luchtvervuiling hoog is, nemen deel aan projecten van buurtverenigingen. In gebieden waar de luchtvervuiling laag is, is 18% van de bewoners lid van zulke plaatselijke verenigingen. Dat is meer dan het dubbele. Ik zie een soort scheiding tussen de milieukwaliteit en de plaatselijke levenswijze enerzijds en het burgerengagement anderzijds, met name te midden van organisaties waarin één van die burgers zelf moet beslissen over de lokale omgeving en levenskwaliteit. Zonder meteen een causaal verband vast te stellen tussen beide fenomenen, blijkt het evenwel in mijn analyse dat er een omgekeerde correlatie bestaat tussen de objectieve staat van de woonomgeving en het burgerengagement, wat bijdraagt ​​aan een aanzienlijk collectief de-engagement in stedelijke gebieden.

De sociale Barometer van Wallonië toont aan dat de meest achtergestelde bevolkingsgroepen zich minder mobiliseren en inzetten dan de welgestelde burgers. Erger nog, de objectieve staat van de leefomgeving van huishoudens lijkt geen invloed te hebben op de behoefte om zichzelf te mobiliseren en in te zetten voor de eigen woonomgeving of voor een milieuorganisatie. Er zou dan een retroactief effect heersen: des te kwetsbaarder mensen zijn, des te vaker ze in achtergestelde buurten wonen, meestal in de stad, des te minder ze zich mobiliseren en zich inzetten in de vrijwilligerssector; daarom verbetert hun leefomgeving niet, zijn hun keuzes qua woonomgeving beperkt en zitten ze gevangenen in een leefomgeving van slechte kwaliteit.

Opwaartse en neerwaartse spiraal

Bij het ​​lezen van deze resultaten, stel ik de theorie van de ’opwaartse spiraal’ voor: mensen die in Wallonië een gunstigere sociaal-economische status hebben wonen niet alleen in omgevingen van een betere kwaliteit, maar hebben ook de middelen om zich in te zetten en hun woonomgeving te beschermen. Die factoren helpen dus om een positieve dynamiek te creëren voor meest bevoordeelde individuen en gebieden waar ze wonen, wat ik de ’opwaartse spiraal’ noem. Mensen die in achtergestelde buurten wonen, hebben daartegenover minder kans om zich in te zetten en deel uit te maken van buurtverenigingen; ze voelen zich bovendien globaal gezien vaker machteloos om hun omgeving te veranderen. Dit noem ik de ’neerwaartse spiraal’.

De milieu-ongelijkheid in Wallonië lijkt dan ook zorgwekkend en wel om verschillende redenen. Ten eerste worden de kwetsbare bevolkingsgroepen meer getroffen door milieuvervuiling, die vandaag de dag niet op de politieke agenda lijkt te staan. Dan is er ook nog de ruimtelijke concentratie van milieuproblemen en kwetsbare bevolkingsgroepen (vooral –maar niet alleen- in steden), die, tot nu toe, geen deel uitmaakt van een publieke actie die een antwoord zou kunnen bieden tegenover de menselijke, milieu- en gezondheidsuitdagingen, die op het spel staan ​​in stedelijke gebieden, nog steeds gekenmerkt door geavanceerde de-industrialisatie en wijdverspreide sociaal-economische achteruitgang. Tot slot is het de-engagement van de burger ten opzichte van deze uitdagingen schreeuwend in deze gebieden, waar er een combinatie waar te nemen is van sociaal-economische en milieu-ongelijkheid. Wat zij op de proef stellen is het vermogen van onze samenleving om alle bevolkingsgroepen op te nemen rekening houdend met de standpunten en eisen van iedereen en in het bijzonder van het meest kwetsbare deel van de bevolking.

Wat kan de overheid doen tegen die milieuongelijkheden? Vernieuwde stedelijke overheidsmaatregelen zouden rekening kunnen houden met de verschillende vormen van milieuongelijkheid gedragen door de meest kwetsbaren en kunnen een milieubeleid opstellen dat meer aandacht biedt voor de deelname van een diverse bevolking en de vele socio-economische profielen. Ten slotte moeten ook inzet- en integratieprocessen ten opzichte van de meest kwetsbaren in milieudebatten in de brede zin van het woord, en meer in het bijzonder in het kader van het leven in de stad, aangemoedigd worden.

Voor meer informatie (in het Frans):

  • Augagneur et Fagnani (dir.) (2015), Environnement et inégalités sociales, La Documentation française, Doc’ en poche, Paris.
  • Cornut et al. (2007), Environnement et inégalités sociales, Editions de l’Université Libre de Bruxelles, Bruxelles.
  • Dozzi et al. (2008), « Inégalités écologiques : analyse spatiale des impacts générés et subis par les ménages belges », in Espace, populations, sociétés, 2008/1, pp.127-143.
  • Lejeune et al. (2012), « La qualité du logement comme variable environnementale : l’exemple de la région urbaine de Liège (Wallonie) », in Flux Cahiers scientifiques internationaux Réseaux et Territoires, n°89-90, pp.30-45.
  • Lejeune et al. (2015), « Housing quality as environmental inequality : the case of Wallonia, Belgium », in Journal of Housing and the Built Environment, pp.1-15.

Voetnoten

[1Het onderzoek heeft alleen betrekking op Wallonië, maar het zou interessant zijn om verder onderzoek te voeren in andere Belgische gewesten en in andere Europese landen.

[2Institut wallon de l’évaluation, de la prospective et de la statistique. Zie Cardelli e.a. (2014), Le baromètre social de la Wallonie. Engagement, confiance, représentation et identité. Presses universitaires de Louvain, Louvain-la-Neuve.

[3De maatstaf van luchtvervuiling die gebruikt werd is een objectieve en geen subjectieve maatstaf, in tegenstelling tot andere verontreinigingsmaatstaven die gebaseerd zijn op de perceptie van de onderzoekers zelf.

[4De luchtverontreinigingsmaatstaf die ik hier gebruik, is een objectieve maatstaf voor de concentratie van verschillende verontreinigende stoffen: ozon, stikstofdioxide en fijn stof (index luchtvervuiling IWEPS 2013, bron: AwAC-CELINE, data 2008-2011, RIO model).

[5De vraag van de sociale barometer van Wallonië luidde als volgt: ’Bent u lid van verenigingen en buurtcomités?’

[6’Bent u lid van milieu, natuur- of dierenrechtenverenigingen, ...? (Greenpeace, WWF, enz.)?’

[7’Hebt u u ooit ingezet om uw stem te laten horen? Bijvoorbeeld door te staken of door een petitie op te starten?’

[8Zich inzetten om zijn stem te laten horen, kan bijvoorbeeld ook door een petitie te verspreiden of deel te nemen aan een betoging of een staking.