Afdrukbare versie van dit artikel Afdrukbare versie

Rijkdom Werk Internationaal

Ongelijke lonen in Europa

De noodzaak van een collectieve regeling

9 Juni 2015 François Ghesquière

CC by

De loondiscussie komt regelmatig ter sprake in de pers. Meestal komt daarbij de neoliberale opvatting aan bod: lonen zijn kosten die beperkt moeten worden om het concurrentievermogen van de Belgische ondernemingen veilig te stellen. Soms komt de tegenovergestelde visie aan bod, de progressieve: het loon is een inkomen dat moet behouden blijven en moet stijgen om de koopkracht van de werknemers veilig te stellen. Ondanks hun politieke tegenstelling delen deze twee visies hetzelfde standpunt: er wordt uitgegaan van het gemiddelde niveau van de lonen. De problematiek van de loonongelijkheid - bijvoorbeeld, hoeveel meer verdienen managers vergeleken met arbeiders? of, Welk aandeel van de totale loonmassa vloeit terug naar de 10% meest verdienende werknemers? - komt zelden aan bod en wordt nog minder vaak ten gronde behandeld. Nochtans toont onderzoek over ongelijke loonverdeling aan dat het een belangrijke kwestie is aangezien de gezinsinkomsten voornamelijk bestaan uit lonen.

Deze tekst behandelt dan ook de globale ongelijkheid tussen lonen [1]. De term ’globaal’ is belangrijk omdat het hier niet gaat over specifieke ongelijkheid (gender, etnische afkomst, diploma, enz.). Dit globale uitgangspunt houdt in dat geen enkele vorm van ongelijkheid a priori legitiemer is dan een ander: elk loonverschil, van welke aard ook, wordt als problematisch beschouwd. Een eenvoudige maateenheid voor loonongelijkheid is de inkomenskwintielverhouding. Dit is de verhouding tussen de lonen van de 20% rijkste werknemers en de lonen van de 20% armste werknemers. Deze verhouding heeft het voordeel zeer uitgesproken te zijn: het meet hoeveel keer het loon van de ’rijken’ hoger is dan dat van de ’armen’. In België bedraagt de verhouding 2,4. Met andere woorden : in ons land verdient de rijke werknemer 2,4 keer meer dan de arme werknemer.

PNG

Maar het is niet enkel interessant om de ongelijkheid in België te meten, maar ook om de situatie tussen de landen te vergelijken. Deze grafiek vergelijkt de loonongelijkheid tussen de landen van West-Europa in 2010 [2]. Het is opvallend dat België niet het land met de grootste ongelijkheid is, zelfs al is de situatie van gelijke lonen nog heel veraf. De verhouding tussen de ’toplonen’ en de ’lage lonen’ [3] bedraagt ongeveer 2, terwijl de verhouding Griekenland, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Ierland 4 bedraagt of zelfs hoger ligt. De vraag wat die verschillen verklaart is dus relevant.

De eerste verklaring heeft te maken met de macht van de vakbonden. In België zijn werknemers vaker dan in andere landen lid van een vakbond. Zoals te zien in onderstaande grafiek, die de omvang van de loonongelijkheid kruist met de syndicalisatiegraad [4], vertonen de landen waar dit percentage hoog is (België, de Scandinavische landen, Malta en, in meer mindere mate, Cyprus) een eerder beperkte loonongelijkheid. Men kan dus veronderstellen dat sterke vakbonden een beperkende invloed hebben op loonongelijkheden.

JPEG

De tweede verklaring houdt rekening met het belang van de collectieve arbeidsovereenkomsten. België is eveneens een land waar het merendeel van de werknemers valt onder collectieve arbeidsovereenkomsten. Zoals in onderstaande grafiek te zien, bestaat er een duidelijk verband tussen de dekkingsgraad door collectieve arbeidsovereenkomsten en beperkte loonongelijkheid [5].

JPEG

Als men deze twee factoren combineert, wordt het merendeel van de verschillen op gebied van loonongelijkheid tussen de landen van West-Europa verklaard. We kunnen ervan uitgaan dat 52,5% [6] van de variatie verklaard wordt door verschillen in syndicalisatiegraad en dekking door CAO’s. Als besluit kunnen we dus stellen dat het noodzakelijk is om de collectieve regeling van de arbeidsmarkt te behouden, te verdiepen en uit te breiden, wil men de loonongelijkheid tussen de landen van West-Europa beperken. Die collectieve regeling kan via verschillende kanalen verlopen, zoals sterke vakbonden en collectieve arbeidsovereenkomsten. In ieder geval neemt de ongelijkheid toe wanneer de loonvorming overgelaten wordt aan de ’vrije’ onderhandeling tussen werknemer en werkgever.

Vertaling naar het Nederlands : Marie-Eve Cosemans & Rob Kaelen

Voetnoten

[1In deze tekst omvat de term loon alle rechtstreekse inkomsten uit arbeid. Dat wat wil zeggen dat wij op twee punten afwijken van de meer klassieke loondefinitie. Ten eerste worden de inkomsten van de zelfstandigen als lonen beschouwd, terwijl het technisch gezien om gemengde inkomsten gaat waarin geen onderscheid gemaakt kan worden tussen het aandeel uit kapitaal en dat uit arbeid. Nochtans, in een context van internationale vergelijking, is het moeilijk om juist en op dezelfde wijze in alle landen zelfstandigen te onderscheiden van werknemers en ambtenaren. Wij hebben dus gekozen om rekening te houden met alle werknemers, ongeacht hun statuut. Ten tweede houden wij hier enkel rekening met het directe loon. Het indirecte loon (de sociale zekerheid) wordt niet in acht genomen omdat - hoewel het om een echt loon gaat - de ongelijkheid op het vlak van indirect loon te maken heeft met andere mechanismen (zoals de structuur van de verzorgingsstaat) die wij hier door plaatsgebrek niet behandelen. We preciseren ook dat alle hier voorgestelde resultaten berekend werden op het bruto-salaris van de personen met een baan als hoofdactiviteit.

[2De cijfers zijn afkomstig uit het onderzoek Statistics on Income and Living Conditionshttp://epp.eurostat.ec.europa.eu/po...(SILC). Voorts werden de vroegere communistische landen niet in de analyse betrokken omdat hun arbeidsmarkt, en in het bijzonder de relaties tussen sociale partners, niet vergelijkbaar zijn met die in West-Europa, ten gevolge van hun voorgeschiedenis.

[3De haakjes worden gebruikt omdat het niet gaat om een vergelijking tussen het gemiddelde van 20% van de laagste lonen en 20% van de hoogste lonen, maar om een vergelijking tussen het loon tot de grens van 20% van de armste werknemers en het loon tot 20% van de rijkste werknemers. Een vergelijking tussen gemiddelden zou een probleem gevormd hebben aangezien de (zeldzame) zeer hoge lonen slecht worden gemeten door de gegevens afkomstig uit onderzoek.

[4De syndicalisatiegraad wordt bepaald als het aandeel werknemers dat aangesloten is bij een vakbond. De andere gesyndiceerden (werkzoekenden, studenten, gepensioneerden, enz.) worden niet in de berekening opgenomen. Dit aandeel is afkomstig uit de databank Institutional Characteristics of Trade Unions, Wage Setting, State Intervention and Social Pacts (ICTWSS) toegankelijk via de website van The Amsterdam Institute for Advanced Labour Studieshttp://www.uva-aias.net/208(AIAS). Om verschillende ontbrekende gegevens en jaarlijkse variaties op te vangen, gaat het om het gemiddelde van de jaren 2004 tot en met 2010. De correlatiecoëfficiënt tussen deze variabele en de loonongelijkheid bedraagt 0,51 en is significant met een betrouwbaarheidsgraad van 95%. De rechte lijn van lineaire regressie werd getrokken om de leesbaarheid te verhogen.

[5De dekkingsgraad van de collectieve arbeidsovereenkomsten wordt gedefinieerd als de verhouding van de werknemers van wie het loon geregeld wordt door collectieve arbeidsovereenkomsten. Deze graad is eveneens het gemiddelde van de jaren 2004 tot en met 2010 berekend op basis van dezelfde database ICTWSS. De correlatiecoëfficiënt tussen deze variabele en de loonongelijkheid bedraagt 0,58 en is significant met een betrouwbaarheidsgraad van 95%. Ook hier werd de rechte lijn van lineaire regressie op de grafiek getrokken om de leesbaarheid te verhogen.

[6Technisch gezien gaat het de determinatiecoëfficiënt (R²) van de multipele lineaire regressie berekend op de verhouding inkomenskwintiel met als verklarende variabelen de syndicalisatiegraad en de dekking door collectieve arbeidsovereenkomsten. De R² geeft de verhouding aan van het aandeel van de variantie van de interkwintielverhouding die verklaard wordt door de variantie van de syndicalisatiegraad en de dekkingsgraad door collectieve arbeidsovereenkomsten. Opgemerkt dient te worden dat beide graden hun statistische significantie (met een betrouwbaarheidsgraad van 95%) in deze meervoudige lineaire regressie behouden. De resultaten zijn nog meer uitgesproken bij gebruik van een fijnere en globalere meeteenheid van ongelijkheid zoals de Gini-coëfficiënt. Op die manier bereikt de determinatiecoëfficiënt van de meervoudige lineaire regressie berekend op de Gini-coëfficiënt met als verklarende variabele de syndicalisatiegraad en de dekking door collectieve arbeidsovereenkomsten 70,7%.