Afdrukbare versie van dit artikel Afdrukbare versie

Opleiding Cultuur

Ongelijkheid in de digitale wereld: fout wachtwoord?

19 Juli 2016 Périne Brotcorne
Vertaling naar het Nederlands: David Bastiaens

CC by

In 58% van de Belgische huishoudens stond in 2005 een computer. Eén huishouden op twee had een internetaansluiting en slechts 56% van de bevolking gebruikte internet [1]. Die onderzoeken dienen als basis voor de gegevens over de Informatiemaatschappij van Eurostat. In 2014 heeft 84% van de huishoudens minstens één computer, 83% heeft een internetaansluiting via computer, smartphone of tablet. Van de 16- tot 74-jarigen heeft maar 13% nog nooit internet gebruikt. De conclusie is duidelijk: de laatste tien jaar is in België de digitale technologie zowel op vlak van aansluiting als van gebruik sterk vooruitgegaan. Mogen we daaruit dan afleiden dat de ongelijkheden, wat betreft die toestellen, meer en meer aan het verdwijnen zijn? Niets is minder waar. Uit wat bestaan die ongelijkheden dan nog, wanneer hun aansluiting en gebruik steeds alledaagser worden? Dit artikel probeert die vraag voor België te behandelen.

De digitale kloof: waarover gaat het?

“De digitale kloof”, zo wordt gewoonlijk de grote waaier aan ongelijkheden uitgedrukt die in verband staan met de toegang tot digitale technologie (ook wel “ICT”, informatie- en communicatietechnologie, genoemd) [2] en het gebruik ervan.

De digitale kloof had allereerst betrekking op de toegang tot ICT, wat kritiek uitlokte, omdat de term zich toespitste op het materiële aspect. Ondertussen werden er echter in snel tempo meer en meer toestellen in de huishoudens aangesloten en gebruikt.

Ongelijkheden stoppen inderdaad niet op het moment dat mensen een dergelijk toestel thuis hebben aangesloten. Dat zou immers impliciet veronderstellen dat toegang tot ICT automatisch leidt tot een efficiënt gebruik ervan. Dan worden wel eventuele obstakels die iedereen kan tegenkomen, vergeten. Eens de stap om toegang te krijgen, gezet is, zijn er verschillende manieren waarop mensen de inhoud die ze online vinden, gebruiken. Die ongelijkheden in het gebruik noemen sommigen de “digitale kloof van de tweede graad”, om het verschil te maken met die van “de eerste graad”, die in verband staat met de toegang tot ICT.

Toch wordt dikwijls nog gedacht dat digitale ongelijkheid zich beperkt tot de aansluitingsgraad van de bevolking. Beschikken over een computer, mobiel toestel, over een internetaansluiting is één ding; de tweede indicator die gewoonlijk gebruikt wordt om de gevallen van digitale kloof onder de loep te nemen, is het feit of mensen die mogelijkheden ook gebruiken [3].

Maar als we ons daartoe zouden beperken, zouden we vergeten dat er naast de gebruikersgraad nog verschillen bestaan in de intensiteit en de manier van dat gebruik. De manier waarop mensen de digitale technologie gebruiken, hangt af van hun bekwaamheden, en biedt verschillende voordelen wat betreft hun deelname aan de verschillende aspecten van de samenleving, zoals tewerkstelling of onderwijs.

De aanzienlijke daling van ongelijkheden in toegang tot internet

De evolutie van de toegang tot internet [4] wordt hier gemeten door middel van de aansluitingsgraad in de huishoudens en door het percentage van 16- tot 74-jarigen die internet gebruiken. We kunnen er niet omheen: de mate van toegang tot internet thuis en het percentage van gebruikers zijn in vergelijking met tien jaar geleden in alle socio-demografische categorieën gestegen. Die ontwikkeling is vooral te danken aan de vooruitgang van mobiele toegang tot internet, de laatste jaren, via tablets en smartphones. 59% van de bevolking heeft in 2014 toegang tot internet via een mobiel toestel, tegenover 44% twee jaar ervoor. Die vaststelling mag evenwel niet doen vergeten dat er nog steeds ongelijkheden in die sector bestaan, vooral voor bepaalde categorieën van de bevolking, waaronder de meest kansarme. 83% van de huishoudens in het algemeen mag dan een internetaansluiting hebben, bij de 25% armste huishoudens beschikken slechts zes op tien erover. Zo heeft maar 40% van de mensen uit die gezinnen een smartphone of tablet, tegenover 75% van de 25% rijkste huishoudens. Het percentage van internetgebruikers in arme gezinnen is ook veel lager: pas in 2011 was dat minstens de helft. In 2014 was dat 66%, tegenover 96% voor de rijkste huishoudens.

Wat betreft internetgebruik zijn ook andere factoren bepalend, zoals de hoogte van het diploma en het geslacht.

De hoogte van het diploma is een zeer belangrijke onderscheidende factor. Hoewel de laatste jaren meer mensen die geen diploma van secundair onderwijs hebben behaald, internet gebruiken, zijn er nog altijd maar zes op tien laag gediplomeerden die een aansluiting hebben, tegenover meer dan negen op tien onder de mensen die een diploma hoger onderwijs hebben. Daarnaast heeft 28% van de niet-gebruikers een laag diploma, slechts 2% behoort tot de hoogst gediplomeerden.

Hoewel de verschillen in internettoegang wat betreft geslacht de laatste jaren bijna verdwenen zijn, blijft de afstand tussen mannen en vrouwen belangrijk bij de laag gediplomeerden en bij de oudere generatie. Onder de vrouwen van boven de 55 jaar gebruikt minder dan 50% internet, tegenover 65% bij de mannen. Bovendien gebruikt ook 58% bij de vrouwen zonder diploma internet, tegenover 70% bij de mannen.

Over het geheel genomen zijn ongelijkheden in internettoegang dus niet helemaal verdwenen. Ze zijn zeker verminderd in die zin dat het gaat om minder mensen. Maar ze zijn nu wel diepgaander, want de risico’s op uitsluiting van de niet-gebruikers worden versterkt door de steeds algemenere druk om permanent in verbinding te staan met de online diensten, op elk domein van het leven in de maatschappij.

Ongelijkheden in gebruik: een actuele uitdaging

Ongelijkheden wat betreft gebruik – dat wil zeggen, de manier waarop mensen internet gebruiken en hun eventuele moeilijkheden – vormen een groeiende uitdaging naargelang dat mensen zich in verbinding stellen met internet. Bij die mensen zijn competenties en beschikbare sociale voorzieningen, met andere woorden de hulp van mensen op wie ze kunnen rekenen, ongelijk verdeeld.

Die ongelijkheden vormen een dode hoek in de statistische gegevens. De weinige stukken informatie waarover we beschikken, tonen evenwel verschillen, vooral in de manier van gebruik, gestuurd door bepaalde sociale kenmerken.

Zo stellen we vast dat hoe meer gediplomeerd mensen zijn, hoe talrijker ze de verschillende online diensten gebruiken, uitgezonderd hun deelname in sociale netwerken en in het downloaden van audiovisuele ontspanningsbronnen, die redelijk gelijklopend zijn verspreid over alle categorieën van de bevolking. Die verschillen in het voordeel van de hoger gediplomeerden kunnen we in het bijzonder opmerken bij het zoeken van informatie, zoals kranten lezen (76% van de hoger gekwalificeerden tegenover 46% van de lager gekwalificeerden), administratieve en commerciële bezigheden zoals e-government (78% tegenover 30%), en online bankieren (84% tegenover 54%) in het bijzonder. De verschillen wat betreft het inkomen zijn identiek aan degene die zonet besproken zijn.

Globaal gezien, als andere factoren constant blijven, neigen lager gediplomeerden en mensen met minder financiële middelen ernaar hun internetgebruik te beperken tot communicatie en vrije tijd. Daartegenover staat dat een hoog diploma en een comfortabele levensstandaard een frequent en afwisselend gebruik van de verschillende diensten via internet bevorderen. Kunnen we stellen, naar F. Granjon [5], dat sociale netwerken en online vrijetijdsbestedingen (spelletjes, films, muziek) in grote lijnen het “internet van de populaire klassen” zijn, terwijl de andere digitale diensten het stempel dragen van een ongelijke verdeling van het culturele kapitaal? Meerdere veldonderzoeken gaan in ieder geval die richting uit.

Verhouding van internetgebruikers die verschillende online diensten hebben gebruikt volgens hun opleidingsniveau en de hoogte van het inkomen van hun huishouden (2014)
AllesOpleidingsniveauHoogte inkomen
LagerHoger1e kwartiel4e kwartiel
Communicatie- of ontspannings-activiteiten Mail 91 82 97 81 97
Downloaden van spelletjes, muziek, films 65 65 67 60 69
Deelname in sociale netwerken 62 60 62 54 67
Zoeken naar informatie Informatie over goederen en diensten 84 72 93 71 92
Online lezen van kranten of tijdschriften 62 46 76 46 74
Administratieve en commerciële bezigheden Interactie met de overheid 55 30 78 35 71
Online bankieren 72 54 84 53 81
Online aankoop van goederen of diensten 63 44 77 39 76
Opleidingsniveau: lager = ten hoogste certificaat van het lager secundair onderwijs; secundair = diploma van het secundair onderwijs; hoger = diploma van hoger onderwijs van korte of lange duur, universitair of niet. Hoogte van het inkomen van de huishouding waarin de betrokken persoon leeft: 1e kwartiel = armste 25%, 4e kwartiel = rijkste 25%.

De digitale ongelijkheden geven dus duidelijk de al bestaande sociale ongelijkheden weer, soms versterken ze die zelfs. De mensen die wat betreft digitalisering benadeeld zijn, zijn dus in de eerste plaats “sociaal benadeelden”.

Om te eindigen willen we nog benadrukken dat niet elk verschil in toegang en gebruik sowieso een ongelijkheid is. Voordat de verschillen een ongelijk karakter krijgen, moeten ze processen van discriminatie of van uitsluiting opwekken, in verschillende domeinen van het sociale leven (tewerkstelling, ontwikkeling, cultuur, burgerparticipatie enz.). Het zijn dus niet de verschillen in toegang en gebruik die het fenomeen van digitale ongelijkheid onthullen. De ongelijkheid komt naar boven bij de weerslag van die verschillen op het vermogen van de mensen om voordeel te halen uit alle mogelijkheden, aangeboden door de technologie om hun eigen projecten te leiden en om hun deelname aan de maatschappij te versterken. Op het moment dat het merendeel van de diensten van publiek internet worden gedigitaliseerd, zijn de risico’s voor de verschillende domeinen van het sociale leven om aan de kant geschoven te worden reëel voor al degenen die niet in staat zijn de toestellen volledig te benutten voor een sociale integratie.

Voetnoten

[1Alle gegevens in dit artikel komen uit de Barometer van de informatiemaatschappij 2015. Dat is een jaarlijks ondernomen en gepubliceerd onderzoek van de FOD Economie en statistieken (Statbel).

[2Om het niet ingewikkelder te maken dan nodig is, duidt de term “digitale technologie” in dit artikel zowel vaste computers en laptops aan, net als mobiele toestellen (tablets en smartphones). Ze kunnen allemaal al dan niet een internetaansluiting hebben. Daarnaast worden ook de term “informatie- en communicatietechnologie”, waarvan het acroniem “ICT” is, en de term “digitale toestellen” gebruikt als synoniemen van “digitale technologie”.

[3Statbel heeft onderzoek uitgevoerd naar ICT in huishoudens en bij individuen apart. De vrees voor de digitale kloof die daarin geuit wordt, is overtuigend genoeg. Die vrees komt overigens terug in de Baromètre des usages numériques des citoyens wallons (Barometer van digitaal gebruik van Waalse burgers), die elk jaar gepubliceerd wordt door het Waalse Agence du Numérique (Agentschap voor Digitalisering).

[4In de rest van dit artikel kiezen we ervoor om, onder de statistieken voor digitale technologie, alleen die te gebruiken die in verband staan met de verspreiding en het gebruik van internet. De statistische gegevens tonen immers dat weinig mensen een computer of een mobiel toestel gebruiken zonder internet, omdat internet vandaag de dag de belangrijkste toepassing van digitale technologie is.

[5Granjon, F. (2012), Reconnaissance et usages d’internet. Une sociologie critique des pratiques de l’informatique connectée, Presses des Mines et Paritech, Parijs.