Het Observatorium is met vakantie in augustus! We profiteren ervan om enkele oude artikels met actuele waarde opnieuw te publiceren!
Afdrukbare versie van dit artikel Afdrukbare versie

Opleiding

Over goede en slechte getto’s

25 Juni 2015 David D’Hondt David D’Hondt

CC by

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in TRACeS.

Als voornaamste slachtoffers van ongelijkheid op school, hebben de leerlingen zelf hier veel over te vertellen. Hoewel ik mij afvroeg of het wel mijn rol was om deze kwestie met hen aan te snijden, waren het de leerlingen die mij verduidelijkten waarom naar school gaan en de lessen volgen zo moeilijk is voor hen.

Toen ik met lesgeven ben begonnen, tien jaar geleden, durfde ik het onderwerp “school” niet aan te snijden met mijn leerlingen. Destijds gaf ik les in een Brusselse school met slechte reputatie. Het was alsof ik, nadat ik de sociologische en antropologische literatuur over dit onderwerp had gelezen, niet wou accepteren dat de leerlingen zich hier bewust van waren of dat dit een lesonderwerp kon zijn. Het voelde aan alsof de agressor aan het slachtoffer van zijn agressie zou vragen hoe het voelt om aangevallen te worden. Op een dag heb ik uiteindelijk aanvaard dat zij zich daadwerkelijk bewust zijn van de ongelijkheid op school.

School versus kennis

Dit inspireerde mij om dit jaar een herwerkte les over het onderwijs te geven die ik al eens een paar jaar eerder had proberen te geven. Eerst gaf ik de leerlingen een klassieke opdracht: ze moesten op een groot bord schrijven welke woorden die ze met het woord ’school’ verbonden. Het doel was om een idee te krijgen van de representaties die de leerlingen hebben van de school. Daarna werd dit bord weggehaald en kwam er een ander bord om de opdracht opnieuw uit te voeren, maar nu met het woord ’kennis’. Wat waren de resultaten? De school is een ’gevangenis’ of een ’publieke jeugdinstelling’ waar ’de tijd traag verloopt’. Het is ook een ’agressieve’ plek die ’niets opbrengt’. Reden genoeg om het ’kennis’-bord weer in de klas te brengen. ’Kennis’ betekent voor de leerlingen dat men veel ’weet’ en dat men toegang heeft tot ’cultuur’, en wordt verbonden met plaatsen als ’de straat’ of ’het internet’. Ik heb toen aan de leerlingen gevraagd of ze niets speciaals opmerkten op die twee borden. Gemakkelijk was het niet, maar na enkele suggesties, en oog in oog met de twee borden naast elkaar aan de muur van de klas, merkten de leerlingen op dat het woord ’kennis’ zich niet op het bord ’school’ bevond, en het woord ’school’ niet op het bord ’kennis’. Een ongemakkelijke maar overduidelijke conclusie drong zich op: volgens de jongeren is de school geen plaats van kennis. Kennis doe je dus niet op school op. Na deze vaststelling volgde er een stilte: iedereen, zowel leerlingen als leraar, was een beetje verloren. Als er op school niets te leren valt, waarom zaten we er dan nog allemaal?

Van boerenzonen tot arbeiderszonen

Ook al zou ik hierna uit het onderwijs gestapt zijn, ik vond het nodig om mijn leerlingen iets te laten leren uit deze vaststelling. We zijn dus begonnen met een reeks “discussietafels” waar iedereen kon vertellen waarom hij of zij de school niet als een leerplek ziet. ’Meneer, we zitten hier de hele dag op een stoel om dingen te leren voor kantoorwerk, maar ik heb geen zin om zoiets te doen, het kan me niets schelen. Ziet u mij al kantoorwerk doen?’, legt Othamn me uit. Yousra denkt het volgende: ’Het komt door het beroepsonderwijs dat ze allemaal zo denken. In mijn familie gaat mijn zus naar het algemeen onderwijs. Omdat ik naar het beroepsonderwijs ga, wordt mij gezegd dat ik waardeloos ben.’ Haar buurman antwoordt haar: ’Er praat tenminste iemand met jou...’ Dit bracht me erbij om samen met hen te grasduinen in het boek ’Brief aan een leraar’ (Lettera a una professoressa) van Don Milani. Ik koos er enkele fragmenten en grafieken uit die laten zien hoe vroeger kinderen uit het boerenmilieu minder kans hadden om de school met succes te doorlopen dan kinderen van handelaars, artsen of advocaten. We hebben daarna geprobeerd om ons voor te stellen hoe deze grafieken vandaag eruit zouden zien als de boeren werden vervangen door arbeiders bijvoorbeeld. Maar het is de zin ’De verplichte school heeft niet het recht te laten zakken.’ die, eens hij goed werd begrepen, aanzet gaf tot de grootste discussie.

Rijkenscholen en armenscholen

De leerlingen stellen vast dat er twee typen scholen bestaan. De goede scholen die een ’hoog niveau’ hebben, en de slechte scholen, de ’vuilnisbakscholen’ waar het niveau laag is. Ze noemen voorbeelden van goede en slechte scholen in de wijk en in Brussel. Maar wat is een goede school? ’Meneer, om naar een goede school te gaan, moet je sowieso al in een rijke gemeente wonen.’ zegt een leerling. Zijn buurman voegt eraan toe dat men een ’Gerard’ moet zijn. Een ’Gerard’? ’Een Belg natuurlijk!’. In een rijke gemeente heb je rijkenscholen. Maar de stereotypen gaan veel verder: volgens mijn leerlingen leiden deze scholen jongeren op die later minister willen worden, of tenminste: ’Ze zullen een succesvol leven leiden, en ook succes op school hebben, en naar de universiteit gaan.’ ’Ja, en vooral kennen ze het woord ’mislukkeling’ niet, meneer!’ zegt Roberto. En Nourdine voegt toe: ’De jongens die naar zulke scholen gaan zijn ’s avonds thuis, et ze studeren dan.’ Een leerling stelt dat ook deze scholen ’getto-scholen’ zijn. ’Tuurlijk! Want wij zijn allemaal jongeren met moeilijkheden, van buitenlands origine bovendien, dus is het een getto. Maar zij zijn allemaal Belgisch, rijk en intelligent, en leven dus ook in een soort getto.’ ’En, meneer, in die scholen zijn er veel buitenschoolse activiteiten en de gebouwen zijn in goede staat. Heeft u hier de gebouwen al eens bekeken? Het lijkt net een gevangenis met al die tags.’ ’En deze school is ook slecht gelegen op een braakliggend terrein.’ Dit bracht Rachid ertoe uit te leggen: ’Eigenlijk is een slechte school een school van ongewensten. We zijn niet dom of zo, maar ja, de jongens hebben veel op straat rondgehangen.’ ’Laten we eerlijk zijn, de slechte scholen zijn de armenscholen.’ legt Soufiane uit.

Wanneer alle hulp te laat komt...

Er zijn dus goede en slechte scholen? De analyse van de leerlingen gaat verder. ’Eigenlijk komt het door de goede scholen dat we nu hier zitten.’ ’Ja, in de goede scholen moet je volgen, en als dat niet lukt, moet je maar vertrekken.’ ’Ze helpen niet en dus hebben we daar allemaal gefaald... Als we daar de ondersteuning hadden gekregen die we hier in het beroepsonderwijs krijgen, hadden we het wel gehaald.’ ’Onze school heeft een slecht imago en is een school van het beroepsonderwijs, maar het is een goede school, want de leraren zijn aanwezig, en staan dicht bij de leerlingen.’ ’Ja, en vooral: ze helpen ons.’ ’En meneer, de mensen zeggen dat we naar een slechte school gaan, omdat we in het beroepsonderwijs zitten, maar we zijn hier om een beroep te leren, we zijn normaal, ook al gaan we niet naar het algemeen onderwijs.

De minister of lekkere chocolade

Dit bracht de jongeren ertoe te zeggen dat een goede school misschien niet die school is waar iedereen van denkt dat het een goede school is, of in ieder geval kan het pas een ’goede school’ genoemd worden als ze rekening houdt met de noden en behoeften van alle jongeren die er graag naar school zouden gaan. Op basis van de analyses die de jongeren gemaakt hebben, en de voorstellen die ze gedaan hebben om het schoolsysteem te verbeteren, hebben we beslist om een brief te schrijven naar de minister van onderwijs om haar mening te kennen over deze kwestie. Jammer genoeg zijn de leerlingen de stilte van de ’groten dezer wereld’ gewend, en twijfelden ze veel over het belang van deze brief. ’Meneer, echt waar, het is zinloos om deze brief te schrijven, ze zal ons nooit ontmoeten of antwoorden.’, zegt Youssef. De hele klas is het met hem eens. Dus heb ik met de klas gewed dat, als de minister niet op de brief antwoordt, ik hun een stuk lekkere chocolade koop. ’Ja, maar wel lekkere chocolade, hè meneer!’ Een leerling heeft dus achter mijn laptop plaatsgenomen, een andere aan het schoolbord, en met behulp van de borden en onze opmerkingen, hebben we een brief aan de minister geschreven. Op het moment dat ik dit artikel schrijf, moet de toekomst uitwijzen of de leerlingen gelijk hadden, of dat, integendeel, de minister, na ze gehoord te hebben, ze beseft dat deze leerlingen alleen maar eisen waar ze recht op hebben: een school waar ze slagen.

Vertaling naar het Nederlands: Rob Kaelen en Marie-Eve Cosemans