Het Observatorium is met vakantie in augustus! We profiteren ervan om enkele oude artikels met actuele waarde opnieuw te publiceren!
Afdrukbare versie van dit artikel Afdrukbare versie

Rijkdom Werk Gender

Precaire en arme vrouwen in Brussel

Wanneer sociale ongelijkheid en genderongelijkheid elkaar versterken

26 November 2015 Laurence Noël, Marion Englert Laurence Noël, Marion Englert
Vertaling naar het Nederlands: Marie-Eve Cosemans - Rob Kaelen

Pas de licence spécifique (droits par défaut)

In de meest recente editie van het Thematische Rapport van het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn ’Vrouwen, bestaansonzekerheid en armoede’ [1] wordt de nauwe relatie tussen fenomenen als bestaansonzekerheid, armoede, sociale ongelijkheid en genderongelijkheid belicht.

Op basis van deze brede problematiek stelden wij een versterking vast tussen sociale ongelijkheid en genderongelijkheid. Onze globale analyse omvatte talrijke gesprekken met vrouwen die in een situatie van bestaansonzekerheid/armoede verkeren en met eerstelijnshulpverleners in Brussel.

Ongelijkheid in de verschillende aspecten van het leven

Het onderzoek naar bestaansonzekerheid en armoede dat werd gevoerd hield rekening met de verschillende aspecten van het leven (inkomsten, onderwijs, werkgelegenheid, gezondheid, huisvesting…), en toont aan dat vrouwen, net zoals mannen, geconfronteerd worden met diverse soorten ongelijkheid, maar ook dat vrouwen vaak anders en soms sterker getroffen worden dan mannen.

Wat inkomsten betreft, beschikken de ondervraagde vrouwen over zeer lage inkomsten, ongeacht hun statuut (voltijdse of deeltijdse bedienden, werkloos, op pensioen…). Met hun inkomen kunnen ze niet waardig leven, of dat nou alleen is, of met hun kinderen. Net zoals bij de mannen tonen de vele wijzigingen in het sociaal-economische statuut van deze vrouwen aan dat zij zich in een tijdsverloop van bestaansonzekerheid bevinden. Zo gaan zij bijvoorbeeld van een bediendenstatuut naar de werkloosheid, vervolgens van de werkloosheid naar een leefloon om dan weer het statuut van werkloze te verwerven. Over het algemeen beschikken de vrouwen over lagere eigen inkomsten dan de mannen. Toch is het armoedepercentage (de meest in het oog springende indicator op Belgisch en internationaal niveau) in Brussel hetzelfde voor mannen als voor vrouwen. Deze indicator (de meest gebruikte op Belgisch en internationaal niveau) wordt op basis van het gezinsinkomen berekend en verbergt zo de genderongelijkheid. Nochtans komt uit de literatuur en uit de gesprekken duidelijk naar voren dat er geen sprake is van een systematische verdeling van de inkomsten binnen de huishoudens. Als men zich op de individuele eigen inkomsten baseert, is het ’geïndividualiseerde’ armoedeniveau in België drie keer hoger voor vrouwen dan voor mannen [2].

Wat de werkgelegenheid [3] betreft, verbergen ook andere vaak gebruikte indicatoren zoals het werkloosheidscijfer de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Dat verschil is wel te zien in de activiteitsgraad die beduidend lager ligt bij vrouwen dan bij mannen, wat grotendeels wordt verklaard door het feit dat zij, ondanks bepaalde evoluties, nog in ruime mate belast zijn met huishoudelijke en gezinsactiviteiten. Door het gebrek aan toegankelijke plaatsen in de crèches in het Brussels Gewest vermindert het tewerkstellingsniveau van de vrouwen vanaf de komst van het eerste kind en daalt het trapsgewijs met het aantal kinderen. De tewerkstelling van de mannen wordt daarentegen niet beïnvloed door de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Wanneer vrouwen een baan hebben gaat het vaker om een precaire tewerkstelling. De bevraagde vrouwen bevinden zich vaak in een tijdruimte tussen tewerkstelling en werkloosheid, met bijvoorbeeld zeer slecht betaalde tijdelijke dagcontracten. De deeltijdse tewerkstelling ligt in het Brussels Gewest drie keer hoger bij vrouwen dan bij mannen. De loonongelijkheid blijft aanhouden. De ongelijkheid in de huishoudelijke sfeer weerspiegelt zich eveneens op de werkvloer waar er een sterke horizontale segregatie is. De vrouwen bevinden zich vaak in ’vervrouwelijkte’ sectoren naar waar ze specifiek worden toe geleid (schoonmaak, onderwijs, sociale en gezondheidssector, kinderzorg,…). Bijvoorbeeld vertegenwoordigen zij 95 % van de werknemers in de dienstenchequesector.

In termen van onderwijs en opleiding zijn de ondervraagde precaire vrouwen laaggediplomeerd en/of hebben zij weinig toegang tot het onderwijs gehad. De Brusselse vrouwen tussen 25 en 49 bezitten weliswaar vaker dan mannen een diploma van het hoger onderwijs, toch tonen de statistieken ook dat een hoger aandeel vrouwen dan mannen niet geschoold is. Vrouwen van boven de 50 jaar hebben gemiddeld een minder hoog diplomaniveau dan de mannen. Bovendien volgen meer vrouwen dan mannen alfabetiseringslessen in Brussel: 70% van de ingeschrevenen in alfabetiseringslessen van de Franse Gemeenschap zijn vrouwen. Deze laatsten tonen een bijzonder precair profiel: bijna 90 % onder hen heeft geen eigen inkomen of moet rondkomen met een sociale uitkering of een vervangingsinkomen. Over het algemeen maken opleidingen vaak deel uit van het traject van de ontmoete vrouwen. Dit is soms een vrije keuze, maar soms ook een verplichting in het kader van de activeringsmaatregelen. Desondanks blijkt dat voor talrijke vrouwen het volgen van één of meer opleidingen niet altijd resulteert in tewerkstelling.

We wijzen erop dat sociale ongelijkheid een weerslag heeft op gezondheidsongelijkheid, en dit zowel voor vrouwen als voor mannen: hoe armer, hoe minder goed de gezondheid, ten gevolge van de verschillen in levensomstandigheden en de toegang tot gezondheidszorg. Daar komt bij dat de seksuele en reproductieve gezondheid van vrouwen (preventie, zwangerschap, anticonceptie, zorgen…) vaak bijzonder aanzienlijke financiële, morele en tijdelijke kosten impliceert.

Verstrenging van de toegang tot sociale bijstand

De moeilijkheden die de geïnterviewde vrouwen ondervonden met de sociale bijstand (voornamelijk om steun te krijgen en te behouden), vormen een weerspiegeling van de evolutie die de verschillende vormen van sociale bijstand ondergingen [4]. Wat sterk doorschemert in hun getuigenissen is de verstrenging van de toegangsvoorwaarden tot verschillende sociale rechten. Dit fenomeen waarmee de hele bevolking te maken krijgt ongeacht het geslacht, treft vrouwen extra hard omdat ze vaak met bijkomende moeilijkheden te maken krijgen om aan de voorwaarden te voldoen. Vaker dan mannen zijn zij verantwoordelijk voor een reeks taken in het huishouden en het gezin. Bovendien werken ze vaker deeltijds, zijn ze gezinshoofd van een eenoudergezin, in opleiding, beschikken ze over weinig inkomsten...

De toenemende eisen van het activeringsbeleid zijn steeds meer aanwezig in het domein van de sociale bijstand [5]. Dit is op zich al een factor van precarisatie. In het algemeen beïnvloeden de strengere toegangsvoorwaarden tot sociale rechten vaak op negatieve wijze de levenssituatie van de vrouwen: de wachttijden voor de toekenning worden verlengd, de voorwaarden zijn te beperkend waardoor vrouwen geen toegang krijgen tot de sociale rechten, en dan zijn er nog de eventuele sancties en zelfs uitsluiting van de rechten wat op zijn beurt een sterke verarming betekent voor vrouwen die zich reeds in een uiterst precaire situatie bevinden.

Beleving van armoede door de vrouwen

In antwoord op de vraag of een situatie van bestaansonzekerheid of armoede “moeilijker voor een man”, “voor een vrouw” of “hetzelfde” is geeft de meerderheid van de ondervraagde vrouwen zelf aan [6] dat vrouwen kwetsbaarder zijn. Zij herkennen vaak factoren die in de eerste plaats gelinkt zijn aan gender maar die een belangrijke impact hebben op hun levenssituatie en hun precaire situatie. Zij hebben talrijke argumenten die aangeven waarom een situatie van onzekerheid/armoede of het leven in het algemeen moeilijker is voor hen dan voor mannen. Een van deze argumenten is het feit dat vrouwen vaak meer verantwoordelijkheden dragen dan mannen, en dat ’moeder worden’ een verantwoordelijkheid is met een morele en een praktische dimensie (uitgaven, behoeften, tijd, verplichtingen, organisatie…). Zij vinden eveneens dat ze meer blootgesteld zijn aan controle en paternalisme in hun privéleven (controle, plichten, gedragsverwachtingen toegewezen rollen, huishoudelijke taken,…). Zij zijn er zich vaak bewust van dat zij deze sociale normen en rolpatronen hebben verinwendigd. Ten slotte zijn zij ook kwetsbaarder door het feit dat zij zichzelf als lichamelijk minder sterk ervaren en dat hen dit in een positie van potentiële onderwerping binnen het koppel plaatst (met soms situaties van lichamelijk geweld).

Zij vestigen de aandacht op het feit dat moeder zijn op zich reeds een factor van onzekerheid is door de verantwoordelijkheden die eraan verbonden zijn en door het risico van alleen te komen staan (in het Brussels Gewest is 87% van de gezinshoofden van eenoudergezinnen een vrouw). Dat wat hen eveneens kwetsbaar maakt zijn de dubbele werkdagen, de instabiliteit van de gezinssituaties maar ook de samenlevingsnormen die het ’mannelijke’ bevoorrechten [7].

Met als vertrekpunt de problematiek van de beleving van ’vrouwelijke’ bestaansonzekerheid, hebben de ondervraagde vrouwen op basis van hun ervaringen hun eigen visie gegeven van de manier waarop genderongelijkheid de risico’s op precariteit of armoede kan versterken of handhaven.

Bovendien heeft dit verslag eveneens aangetoond dat de verhoogde kwetsbaarheid ook te maken heeft met eenvoudige levensgebeurtenissen (verlies van baan, ziekte, ongeval, (echt)scheiding, overlijden, geboorte,…) die (soms) het traject snel laten ’kantelen’ naar een precaire situatie, en dit op het moment dat men een verstrenging van de toegangsvoorwaarden tot sociale rechten en bijstand vaststelt.

Moet er tot slot nog op gewezen worden dat deze vaststellingen en resultaten ingaan tegen het heersende discours van individuele verantwoordelijkheid dat de armoedeproblematiek individualiseert door de verantwoordelijk volledig door te schuiven naar de persoon zelf.

Om de samenvatting of het integrale rapport “Vrouwen, bestaansonzekerheid en armoede in het Brussels Gewest” te downloaden:

Voetnoten

[1Het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad (2015) Vrouwen, bestaansonzekerheid en armoede in het Brussels Gewest, Thematisch rapport van het Brussels armoedeverslag 2014, Gemeenschappelijke Gemeenschapssommissie: Brussel. Het gaat om het tweede rapport van het Brusselse armoederapport 2014 waarvan de inhoud en de frequentie van publicatie (om de twee jaar) door de Ordonnantie van 20 juli 2006 worden bepaald.

[2Meulders D., O’Dorchai S., Plasman R., Rycx F. (2011), Gender en inkomen – Analyse en ontwikkeling van de indicatoren. Belgian Gender and Income Analysis (BGIA), Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen.

[3Voor meer gedetailleerde analyses over werkgelegenheid en gender, zie het dossier: Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad en Brussels Observatorium voor de werkgelegenheid (2015) De vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Gewest, Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en Actiris: Brussel.

[4Hier in ruime zin: gesubsidieerde klassieke diensten van openbare dienst (OCMW, CASG, CAW…), verenigingen (gesubsidieerd, caritatief,…), instellingen van sociale zekerheid (RVA,…).

[5Van Dooren G, Kuppens J., Druetz J., Struyven L. & Franssen A. (2011) Sociale activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid: een verkennend onderzoek naar de praktijk van sociale activering in de Belgische OCMW’s. POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid, HIVA - Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving, KU Leuven: Leuven.

[6Zie eveneens de inleiding van het rapport, een synthese van de definities van de onzekerheid en/of de armoede door de ontmoete vrouwen.

[7Zie eveneens in het rapport de soms uiteenlopende meningen van de bevraagde vrouwen over deze problematiek maar ook de aanbevelingen die de vrouwen doen aan de politieke vertegenwoordigers.