Het Observatorium is met vakantie in augustus! We profiteren ervan om enkele oude artikels met actuele waarde opnieuw te publiceren!
Afdrukbare versie van dit artikel Afdrukbare versie

Werk Gender

Werkneemsters waarderen om de economie weer op gang te brengen

Analyse van de loonongelijkheid tussen vrouwen en mannen

12 augustus 2016 Olivier Derruine Olivier Derruine
Vertaling naar het Nederlands: Marie-Eve Cosemans

CC by

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op de website van Revue Nouvelle op 15 april 2015.

“De Loonkloof tussen mannen en vrouwen in Belgie 2014” is een uitstekend rapport dat helaas bijna geheel onopgemerkt bleef. Het is een gezamenlijke publicatie van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, de FOD Economie en het Federale Planbureau. Negentig bladzijden lang analyseert Hildegard Van Hove samen met zeven statistici het probleem vanuit alle mogelijke hoeken en aspecten van de arbeidsmarkt, of liever de arbeidsmarkten, die van de mannen en die van de vrouwen.

De vele dimensies van de loonkloof

De loonkloof varieert naargelang de periode die voor de berekening in aanmerking wordt genomen:

• op basis van de gemiddelde maandelijkse brutolonen van de voltijdse en deeltijdse werknemers bedroeg de kloof 21% in 2011;
• berekend op basis van de bruto-uurlonen, viel hij terug naar 13%. Dit verschil wordt verklaard door het feit dat de arbeidsduur van mannen langer is dan die van vrouwen.

Deze verschillen zijn met helft verminderd in de loop van de laatste dertig jaren.
In de privésector zijn de gemiddelde uurlonen hoger in bedrijven met minstens tien werknemers, en dit ongeacht het geslacht, maar tegelijkertijd stijgt het loonverschil met het aantal werknemers in de onderneming. Nu is het zo dat vrouwen vaker in kleine bedrijven met matige lonen werken.

De leeftijd is niet vreemd aan de grootte van de loonkloof: "Terwijl het gemiddelde bruto-uurloon van mannen vrij gelijkmatig stijgt, neigt dat van vrouwen tot stagnatie vanaf de leeftijdscategorie van 35 tot 44 jaar. Het directe gevolg hiervan is een toename van de loonkloof, van 5% voor de 25- tot 34-jarigen naar 10% voor de categorie van 35 tot 44 jaar, 15% voor de 45- tot 54-jarigen naar een maximum van 21% voor de 55- tot 64-jarigen."

Zelfs in de hoogste directieposten ondergaan de vrouwen een dubbele straf: niet alleen zijn ze ondervertegenwoordigd, ook bezetten zij slechts een derde van de leidende functies terwijl zij iets minder dan de helft van de werknemers vertegenwoordigen (het beruchte glazen plafond). Niettemin bedraagt de loonkloof op dit niveau 14%.

De benadering van de man/vrouwongelijkheid op het gebied van het loon kan nog uitgebreid worden door de extra-wettelijke voordelen in rekening te brengen. De orde van grootheid is aanzienlijk verschillend: het verschil bedraagt ongeveer 40% voor de bijdragen voor het aanvullend pensioen en voor de aandelenopties. Maar dit gaat natuurlijk maar over een gering deel van de werknemers (respectievelijk 10% en minder dan 1% van het totaal van de werknemers van elk geslacht). Daarentegen loopt het verschil op tot 29% voor de woon-werkplaatsvergoedingen, waarvan meer dan een man en een vrouw op de twee geniet.

Het loonverschil onder de microscoop

In totaal is het bruto-uurloon van de vrouwen 2,43 € lager dan dat van de mannen. De helft van het loonverschil kan worden verklaard - niet te verwarren met "gerechtvaardigd“ of "gelegitimeerd“ - door een dozijn identificeerbare factoren (zie kolom). De andere helft blijft omgeven met vraagtekens of kan als een discriminerende maatregel tegenover vrouwen beschouwd worden. In totaal kan dus 25% van het loonverschil toegeschreven worden aan beroepskenmerken (beroep, sector, contract, regio), 13% aan individuele kenmerken (onderwijs, ervaring, anciënniteit) en 12% aan persoonlijke kenmerken van de werknemer (nationaliteit, gezinstype, burgerlijke staat).

Een opeenstapeling van intentieverklaringen

De loonongelijkheid is even hardnekkig als een natuurwet. "Zo is het nu eenmaal!" Nochtans pakken heel wat verklaringen, wetteksten inbegrepen, dit probleem aan.

Niet minder dan 40 jaar geleden (!) keurden de Europese ministers van Werkgelegenheid een richtlijn goed, "de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende de toepassing van het principe van de gelijkheid van de lonen tussen de mannelijke werknemers en de vrouwelijke werknemers". Dit principe werd in het Handvest van de fundamentele rechten (artikel 23) of het herziene Europees Sociaal Handvest beschreven (artikel 4). In 2006 kende de oude richtlijn een tweede jeugd.

België bestrijdt de loonkloof tussen mannen en vrouwen met de wet van 22 april 2012. Verschillende uitvoeringsbesluiten werden bovendien genomen.

“De doelstellingen van de wet van 22 april 2012 zijn de volgende:
• De loonkloof in de strikte zin bestrijden, d.w.z. het feit dat de werkneemsters onderbetaald zijn [door] actie ondernemen op het niveau van de loonvorming

• In die context is het belangrijk om de sociale partners bij de problematiek te betrekken [en dus] ervoor zorgen dat de loonkloof een blijvend sociaal overlegthema wordt op de drie overlegniveaus: op interprofessioneel, sectoraal en ondernemingsniveau.

• Opdat de loonkloof op de overlegagenda wordt geplaatst, moet het verschijnsel zichtbaar (= transparant) en bespreekbaar worden gemaakt. Het zichtbaar en bespreekbaar maken van de loonkloof vormt de rode draad van de maatregelen die op de drie overlegniveaus werden ingevoerd: interprofessioneel, sectoraal en op het niveau van de onderneming.”

Heropleving door de waardering van de werkneemsters

We trekken de analyse door: wat zou er gebeuren als van de ene dag op de andere elke werknemer voor hetzelfde werk in gelijke mate werd vergoed, ongeacht zijn geslacht? We veronderstellen eveneens dat er niet geraakt wordt aan de marktstructuur van het werk (anders gezegd, de oververtegenwoordiging van vrouwen in de deeltijdse banen, de langere werkduur van mannen, enz.); kortom, we verwerken enkel het onverklaarde deel van de cirkeldiagram hierboven. Wij passen dus enkel een correctie toe van het bruto-uurloon van de vrouwen dat wij met het zogezegde "onverklaarde" deel van de loonkloof verhogen en waarvan wij vinden dat het niet onverantwoord is. Wij nemen als referentie het jaar 2013.
Alle werkneemsters samen zouden dan een surplus van 3,6 miljard euro moeten ontvangen per jaar, d.w.z. 1% van het BBP.

onverklaarde deel (dus onverantwoord) van de loonkloof 1,22€/uur
X X
Gemiddeld aantal jaarlijkse arbeidsuren van de werkneemsters 1423 uren
X X
Aantal werkneemsters 2,065 miljoen&
= =
Totaal verlies 3,6 miljard € / jaar

Bronnen: Rapport 2014 van FOD Economie, FPB en het Instituut voor de
Gelijkheid van Vrouwen en Mannen; Eurostat en OECD.
Opmerking: het aantal gemiddelde jaarlijkse arbeidsuren werd verkregen op
basis van wekelijkse gegevens per geslacht (Eurostat) en jaarlijkse
gegevens zonder onderscheid van geslacht (OECD).
Detail van de berekeningen beschikbaar op eenvoudige aanvraag.

Door een heffingspercentage van ongeveer 30% toe te passen om een (ruwe) schatting van de aanvullende belastingontvangsten te bekomen die een grotere loongelijkheid tussen de geslachten met zich zou meebrengen, komen we op 1,1 miljard. Als we dit bedrag over de volledige regeringsperiode spreiden, komen we aan bijna 5,4 miljard, d.w.z. ongeveer 1/3de van de 17 miljard euro van de begrotingsbesparingen die de regering Michel overweegt.

De loonafwijking omzeilen

Een nadeel hieraan: de plotse loonsverhoging van de werkneemsters zou de zo gevreesde loonafwijking veroorzaken. En laat het nu net die loonafwijking zijn die diezelfde regering, in de lijn van de vorige, vóór het eind van haar mandaat wil wegwerken.

Maar misschien dat dit keer, in naam van hun sociale (in bepaalde gevallen "maatschappelijke") verantwoordelijkheid waar de bedrijven zich op beroemen - zeker de grootste onder hen die de sterkste ongelijkheden vertonen - stemmen ze ermee in om hun prioriteiten te herzien door hun aandeelhouders minder uit te betalen. Weghalen bij Albert Frère om Rosetta te kleden, kortom.

Dat zou een element kunnen zijn op de collectieve onderhandelingstafel in toepassing van de wet van 2012. Niets staat daarvoor in de weg, en al zeker niet de wet van 1996 die aan de grondslag ligt van de loonstijgingen en de berekening van de loonhandicap, aangezien er in artikel 14 staat dat "maatregelen inzake loonmatiging" de dividenden kunnen betreffen. (De wet specificeert dat die maatregelen, als ze niet vrijwillig genomen worden, door een koninklijk besluit opgelegd kunnen worden.)

In 2013, een jaar van stijging van de werkloosheid (van 7,6% in 2012 naar 8,4% in 2013), van economische vertraging (BBP +0,3%) en van achteruitgang van het besteedbare inkomen van personen (- 0,2%), stegen de uitgekeerde winsten van de niet-financiële bedrijven tot 32 miljard euro, een sprong van 8 miljard vergeleken met het vorige jaar. (Bron: Nationale bank van België, Belgostat.)

Conclusie

De loonongelijkheid wordt al lang aan de kaak gesteld want zij treedt het principe van "gelijk werk, gelijk loon" met de voeten. Verder leidt de loonkloof tot volkomen andere vooruitzichten voor mannen dan voor vrouwen, en zelfs voor de kinderen ten laste van deze laatsten (wanneer de vrouw aan het hoofd van een eenoudergezin staat, wat het geval is in meer dan 80% van deze situaties). Bovenop de verontwaardiging die deze situatie veroorzaakt, komt het feit dat het loonverschil een rem is op onze economie en de gemeenschap duur komt te staan. Daarom moet dit probleem dringend aangepakt worden. De regering moet waakzaam zijn dat de sociale partners hiervoor een inspanning leveren en maatregelen nemen indien hun voorstellen niet voldoen. Zo zou België doelstellingen, termijnen en sancties bij niet-naleving moeten vastleggen voor de vermindering van (ongegronde) loonverschillen… Een beetje zoals gedaan wordt wanneer een loonafwijking wordt vastgesteld.