Het Observatorium is met vakantie in augustus! We profiteren ervan om enkele oude artikels met actuele waarde opnieuw te publiceren!
Afdrukbare versie van dit artikel Afdrukbare versie

Werk

Zijn werknemersvertegenwoordigers "overbeschermd"?

22 Mei 2017 Maarten Hermans Maarten Hermans

CC by

Een langere versie van dit artikel verscheen eerder op denktankminerva.be

Survey’s tonen alleszins geen fraai plaatje wat betreft zorgeloze werknemersinspraak in België

Vlak voor de sociale verkiezingen in mei 2016 pleitte het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) voor het verminderen van de bescherming van werknemersvertegenwoordigers. Deze bescherming wordt op de korrel genomen als ‘overdreven’, met verwijzingen naar ‘genoeg voorbeelden van misbruiken waarbij werknemers zich kandidaat stellen om zich tegen een ontslag te beschermen’. Na de verkiezingen in september legden Egbert Lachaert en Vincent Van Quickenborne (Open VLD) opnieuw een wetsvoorstel op tafel om de ontslagbescherming van werknemersvertegenwoordigers te verminderen.

De motivatie van ontslagbescherming is het garanderen van inspraakrechten in de context van een inherent asymmetrische relatie: de arbeidsverhouding

Kandidaat-vertegenwoordigers bij de sociale verkiezingen zijn nl. arbeidsrechtelijk beschermd tegen ontslag. De werkgever kan ze enkel na een procedure bij het arbeidsgerecht of het bevoegd paritair comité ontslaan om een dringende reden (bv. diefstal), of d.m.v. een ontslag om economische of technische redenen (bv. ontslag personeelsgroep van de vertegenwoordiger). De voornaamste motivatie hiervoor is het beschermen van de (inspraak)rechten van vertegenwoordigers – en van hen die ze vertegenwoordigen – in de context van een inherent asymmetrische relatie: de arbeidsverhouding. Een kandidaat of verkozene in bv. de gemeenteraad of het parlement hoeft niet te vrezen dat de andere partij aan de onderhandelingstafel zijn of haar job kan bedreigen. In de context van economische democratie op ondernemingsniveau is dit steeds een mogelijkheid.

Het ijkpunt voor de claim dat de bescherming van vertegenwoordigers ‘overdreven’ is, wordt dan ook de vraag in welke mate werknemers zich effectief vrij voelen om hun wettelijke rechten op inspraak te benutten. M.a.w. zich kandidaat stellen, al dan niet verkozen worden, onveilige situaties aankaarten in het CPBW, de achterban informeren, etc., zonder te moeten vrezen voor een negatieve weerslag op hun job.

In dit artikel bekijken we deze vraag op basis van recente internationale en nationale bevragingen van Belgische werknemersvertegenwoordigers.

Hoe optimistisch is de nieuwe lichting werknemersvertegenwoordigers?

Hoe kijkt de nieuwe lichting werknemersvertegenwoordigers, verkozen in mei, naar de nood aan ontslagbescherming?
Er is nog weinig onderzoek beschikbaar over de kenmerken en opvattingen van deze groep, maar we kunnen voor deze vraag terugvallen op de resultaten van de ACV Barometer, een panelsurvey onder ACV-verkozenen in de Ondernemingsraden (OR) en Comité’s voor Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW) in België. Deze panelbevraging wordt sinds 2014 periodiek uitgevoerd en geanalyseerd door het HIVA – KU Leuven in opdracht van het ACV. Vlak na de sociale verkiezingen werd in de vierde golf een steekproef van de ACV-kandidaten voor de OR en het CPBW bevraagd [1].

Deze vierde Barometer-golf peilt naar de ervaringen en verwachtingen van zowel werknemers die zich opnieuw kandidaat stelden, als de verwachtingen van zij die voor de eerste keer kandideren. Verschillende items gaan over concrete ervaringen in het verleden met pestgedrag of dreigementen omwille van vertegenwoordigingswerk, en hun inschattingen naar de toekomst toe.

Zo is 14% van de kandidaten het (helemaal) eens met de stelling dat werknemersvertegenwoordigers in hun onderneming of organisatie mogelijk hun job kunnen verliezen omwille van hun vertegenwoordigingswerk. Dit loopt op tot 23% wanneer het gaat over een slechtere behandeling omwille van vertegenwoordigingswerk. Op beide vragen heeft 10% ‘weet niet’ aangegeven, waarvan men kan argumenteren dat men dit voor deze analyse als een enigszins bevestigende antwoordcategorie kan beschouwen. Als je als werknemer niet weet of syndicaal engagement je een slechtere behandeling oplevert of je job in gevaar brengt, heeft dit waarschijnlijk een impact op je bereidheid om dit engagement op te nemen.

Mogelijk is er een chilling effect van een antisyndicaal klimaat, dat werknemers ontmoedigt zich kandidaat te stellen

Het is echter moeilijk in te schatten in welke mate werknemers afgezien hebben van een kandidatuur, omwille van de vrees voor ontslag of een slechtere behandeling. We hebben natuurlijk enkel de antwoorden van zij die uiteindelijk wél kandidaat zijn. Alle respondenten hebben wel aangegeven of ze al dan niet sterk twijfelden om zich kandidaat te stellen – iets wat 24% van hen bevestigt.

Er zijn vele redenen waarom individuele werknemers kunnen twijfelen om zich kandidaat te stellen, vaak van praktische en persoonlijke aard. Maar we zien alleszins dat deze twijfel samenhangt met hun inschatting over mogelijk ontslag omwille van syndicaal engagement. Zo is 31% van de kandidaten die sterk twijfelde over zijn kandidaatstelling (helemaal) akkoord met de stelling over ontslag, of kan het niet inschatten (“weet niet”), tegenover 21% van de kandidaten die niet sterk getwijfeld heeft. Dit lijkt te wijzen op een chilling effect, waarbij een antisyndicaal klimaat op de werkvloer werknemers ontmoedigt zich kandidaat te stellen.
Deze inschattingen van kandidaten verschillen ook naargelang hun statuut en positie binnen de onderneming of organisatie. Bv. onder arbeiders is 27% het (helemaal) eens met de stelling dat vertegenwoordigers slechter worden behandeld, t.o.v. 23% bij kaderleden en 21% bij bedienden.

Hoe kijken werknemersvertegenwoordigers terug op de afgelopen vier jaar?

Iets meer dan de helft van de kandidaten was ook reeds kandidaat of verkozen bij de vorige sociale verkiezingen in 2012, en kreeg vragen over zijn of haar concrete ervaringen in de afgelopen vier jaar. Van deze groep vertegenwoordigers geeft 17% aan dat hij of zij in de afgelopen vier jaar door de werkgever bedreigd is geweest met ontslag omwille van zijn of haar vakbondsactiviteiten. Wanneer we peilen naar pestgedrag door de werkgever omwille van vakbondsactiviteiten, loopt dit op tot 32%.

Deze cijfers verschillen wederom naargelang statuut en sector. Zo geeft 37% van de arbeiders aan dat hij of zij geconfronteerd werd met pestgedrag vanwege de werkgever, t.o.v. 30% bij bedienden en 17% bij kaderleden (figuur 2). In geval van dreigen met ontslag gaat het om 22% bij arbeiders, 15% bij bedienden en 7% bij kaderleden. Bekijken we dit per sector, dan liggen voor beide vragen de cijfers voor de social profit-sector – vrij onderwijs, gezondheidszorg, socioculturele sector, etc. – steeds ongeveer tien percent lager dan die voor de dienstensector en de industrie.

Blootstelling aan antisyndicaal werkgeversgedrag lijkt afhankelijk van de (machts)positie van de vertegenwoordiger binnen de organisatie

Het effect van sector en dat van statuut blijken elkaar te versterken, waarbij bv. arbeiders in de industrie het vaakst dreigementen rapporteren (24%) en kaderleden in de social profit het minst (nooit). Dit lijkt erop te wijzen dat de mate van blootstelling aan antisyndicaal gedrag afhankelijk is van de (machts)positie van de werknemer-vertegenwoordiger binnen de organisatie, evenals van organisatiekenmerken verbonden met de sector waarin de organisatie opereert.

Nood aan ontslagbescherming in internationaal perspectief

Deze bevindingen over antisyndicaal gedrag van werkgevers, en de lovende verwijzing van het VBO naar bv. Duitsland, waar werknemersvertegenwoordigers een minder uitgebreide bescherming genieten, roept de vraag op hoe België zich op dit punt verhoudt tot andere landen. Dit kunnen we nagaan op basis van statistieken verzameld door het Europese agentschap Eurofound, via zijn vierjaarlijkse European Company Survey (ECS) bij 30.000 managers en personeelsvertegenwoordigers [2].
De twee bovenstaande stellingen m.b.t. een slechtere behandeling en kans om je job te verliezen, maken ook deel uit van de ECS. In de ECS bevraagt men echter enkel werknemersvertegenwoordigers binnen een vooraf genomen steekproef van ondernemingen, niet een steekproef van werknemersvertegenwoordigers zoals bij de Barometer. Dus hoewel de twee vragen peilen naar hetzelfde fenomeen, zijn de percentages voor België in beide bevragingen niet rechtstreeks vergelijkbaar.

Figuur 3 toont hoe de antwoorden van vertegenwoordigers in België op deze twee vragen zich verhouden tot die van hun collega’s in andere landen. Van die bevraagde personeelsvertegenwoordigers is in België 11% het (helemaal) eens dat in zijn of haar onderneming werknemersvertegenwoordigers hun job kunnen verliezen omwille van hun vertegenwoordigingswerk. Vergelijken we dit met de 15 overige West-Europese landen, dan ligt dit enkel hoger in Spanje, Frankrijk en Portugal (12-21%). In alle andere West-Europese landen vrezen personeelsvertegenwoordigers minder voor hun job dan in België.

Het is twijfelachtig of een kandidatuur als vertegenwoordiger een valabele zelfbedieningsstrategie is

Het is ook twijfelachtig of een kandidatuur als vertegenwoordiger omwille van ontslagbescherming een valabele zelfbedieningsstrategie is. Zo is er in België niet enkel de duidelijk sterkere vrees dat vertegenwoordigingswerk juist je kans op ontslag verhoogt, ook is 10% het (helemaal) eens met de stelling dat men je in Belgische ondernemingen als vertegenwoordiger slechter behandelt dan andere werknemers. Met dit percentage zit België in de middenmoot.

Conclusie

Het is ondertussen een bijna jaarlijks ritueel waarbij men wetsvoorstellen indient om de “overdreven” (ontslag)bescherming van werknemersvertegenwoordigers af te bouwen, zeker wanneer de vierjaarlijkse sociale verkiezingen plaatsvinden.

Men staaft dit soort discussies echter zelden met cijfermateriaal over het fenomeen waarvoor deze arbeidsrechtelijke bescherming is ontworpen: het kunnen uitoefenen van inspraakrechten als werknemer zonder vrees voor negatieve repercussies op je tewerkstelling. Wanneer we hiernaar peilen bij de meest recente lichting vertegenwoordigers, zien we juist dat dit verre van een evidente zaak is voor vele vertegenwoordigers. Zo is een vijfde van hen bedreigd geweest met ontslag, en een derde geconfronteerd met pesterijen vanwege de werkgever, omwille van het uitoefenen van zijn of haar mandaat als vertegenwoordiger.

Het internationaal vergelijkend cijfermateriaal waarover we beschikken, wijst er eveneens op dat Belgische werknemersvertegenwoordigers gemiddeld zeker niet ‘overbeschermd’ zijn. In de meerderheid van de andere West-Europese landen geven werknemersvertegenwoordigers minder aan te vrezen voor ontslag, louter omwille van het uitoefenen van hun taken als vertegenwoordiger.
Mogelijk zijn Belgische werknemersvertegenwoordigers zelfs onderbeschermd, als men vertrekt van het principe dat geen enkele werknemer dient te vrezen voor zijn of haar job, louter omwille van het uitoefenen van inspraakrechten. Het is verbazend dat dit principe van onbezorgde inspraak, wat we zo vanzelfsprekend vinden in bv. de sfeer van parlementaire democratie, zulk een voortdurende verdediging nodig heeft in de sfeer van de onderneming.

Zie ook Hermans, M. (2016.04.08) Moeten vakbondsvertegenwoordigers minder bescherming krijgen? De Tijd.

Voetnoten

[1Gerealiseerde respons is 3199, AAPOR RR4 is 28%

[2Eurofound (2013). Third European Company Survey: First findings. Dublin: Eurofound.