Afdrukbare versie van dit artikel Afdrukbare versie

Raciale discriminatie Werk Gender

Strategieën die gesluierde academica’s hanteren om een baan te vinden en te behouden

1 juni 2026 Karima Sassi
Vertaling naar het Nederlands: Amani Kongolo - Elena Decock - Sam Gaullier

CC by

Moslimvrouwen die ervoor hebben gekozen de hijab te dragen, staan ongewild in de schijnwerpers. Sommige mensen vinden deze kledingkeuze onverenigbaar met professionele verantwoordelijkheden: volgens bepaalde westerse feministen schaden vrouwen die een hijab dragen de rechtspositie van de vrouw en vormen ze een bedreiging voor het feminisme. Anderen zijn van mening dat het tonen van geloofsovertuigingen en het dragen van een hoofddoek de neutraliteit van de staat en de democratie kapotmaken.

Onze studie is gebaseerd op een verkennend onderzoek waarbij, in 2012, tien ambitieuze vrouwen werden geïnterviewd die een hijab dragen. In dit onderzoek wordt hun traject naar integratie op de arbeidsmarkt onderzocht en geanalyseerd. Uit hun getuigenissen, waarvan enkele fragmenten gedeeld zullen worden, blijkt duidelijk met welke obstakels zij te maken hebben.

Wettelijke discriminatie?

De vele juridische middelen die beschikbaar zijn om discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden, betekenen een stap vooruit voor de gelijke behandeling van burgers [1]. Weigeren om een vrouw aan te nemen vanwege haar hoofddoek zou alleen gerechtvaardigd mogen zijn op grond van beroepsverplichtingen, namelijk als het zien van de hoofddoek de uitvoering van een taak onmogelijk maakt. Dit verwijst naar het idee van een ‘bedrijf met een bepaalde tendens’ waarbij het zichtbaar uiten van overtuigingen de relatie tussen de werkneemster en de gebruikers kan beïnvloeden. De aard van deze tendens is echter niet duidelijk omschreven in de wet. Een van de vragen is of het door de wet beschermde criterium ‘religieuze overtuiging’ ook het dragen van een hoofddoek omvat. In dit geval is het afwijzen van werknemers vanwege het dragen van een hoofddoek juridisch gezien een geval van directe discriminatie. Het tegenargument zou zijn dat het verbod op ‘elk teken van religieuze of filosofische overtuiging’ en het daaruit voortvloeiende verbod op de hoofddoek eerder een indirect onderscheid is dat niet enkel op de hoofddoek is gericht. In dat geval zou het uitsluiten onder gelijke behandeling vallen. Men kan zich echter afvragen of het verbod op opvallende symbolen in werkelijkheid niet indirect gericht is tegen de hijab, in welk geval deze bepaling wel degelijk discriminerend is [2].

Bovendien is er een wettelijke basis voor het niet aannemen van een vrouw met een hoofddoek, die voor discussie zorgt: het neutraliteitsbeginsel van staatsambtenaren. Men kan zich nochtans afvragen in welke mate de hoofddoek ervoor zou zorgen dat de werkneemster minder neutraal of efficiënt zou zijn in de uitvoering van haar functie. Gaat het in werkelijkheid om neutraliteit in uiterlijk of in handelen? In veel landen, zoals Groot-Brittannië of Canada, dragen staatsofficieren traditionele kleding als onderdeel van hun officiële uniform, zonder dat dit een functioneel probleem oplevert.

Het beeld van de moslimvrouw

Het grootste obstakel voor vrouwen die een hoofddoek dragen op de arbeidsmarkt zijn het beeld en de stereotypen waaraan ze worden gekoppeld. Een vrouw die een hijab draagt, wordt gezien als een analfabete, een huisvrouw, een slachtoffer van seksisme, afhankelijk, schuchter en onprofessioneel.

Tijdens het sollicitatiegesprek had ik het gevoel dat mijn man de sollicitant was. De personeelswerfster was niet aardig en de vragen waren vooringenomen en niet ter zake. "Staat uw man u toe om te werken?", "Mag u mannen de hand drukken?", "Mag u alleen in een kamer zijn met een man?", "Is uw man niet jaloers?", "Bent u nooit geslagen geweest?" ... Ik werkte al zo lang en ik vroeg mij dus af waarom ze niet naar CV en mijn vaardigheden keek (Céline).

Aanhoudende blikken, verwijten en vooroordelen zijn een terugkerend verschijnsel voor deze vrouwen: de meeste geïnterviewde werkneemsters hebben op het werk minstens één keer een onaangename situatie meegemaakt die te maken had met hun hoofddoek. Dit vijandige gedrag komt niet enkel van werkgevers en personeelswervers, maar ook van sommige collega’s. Het is immers zo dat de komst van een collega die een hoofddoek draagt, meestal niet onopgemerkt blijft: in het beste geval wekt het nieuwsgierigheid op en in het slechtste geval leidt het tot duidelijke vijandigheid en verdeeldheid onder collega’s.

Twee vrouwen uit de steekproef ontdekten dat er vóór hun aanwerving groepsvergaderingen hadden plaatsgevonden om over hen te praten. Verschillende vrouwen hadden collega’s hun minachting voor de hoofddoek horen uiten. Soms kwam dit direct en duidelijk tot uiting, soms bleek het uit non-verbale signalen (zuchten, wegkijken tijdens groepsgesprekken, de kamer verlaten...) of uit geruchten.

Leïla vertelt hoe ze eerst door haar collega-docenten werd buitengesloten. Voor sommigen waren haar aanwezigheid en haar hoofddoek volstrekt onuitstaanbaar:

Op een dag sleepte een collega mij mee naar een kamer, sloot de deur achter ons en begon zich kwaad te maken: "Nu zou ik graag willen dat je mij uitlegt hoe het met die hoofddoek zit!" Ik begin haar te vertellen over een spirituele levenshouding, maar ze onderbreekt mij en roept: "Nee nee, jouw hoofddoek is een met bloed bevlekte vlag! Want, als ik het mij goed herinner, de Gewapende Islamitische Groep in Algerije en zo! Je keurt alle moorden en dat soort dingen goed! Mijn man is politieagent in deze stad, we gaan hier nooit weg, jullie gaan ons niet uit ons huis verdrijven!" Ik kon er geen woord tussen krijgen, het was een haatdragende vrouw. Daar stond ik dan, ik heb het allemaal opgevangen, ik heb erom gehuild. (...) Op een andere school vertelde een collega mij dat een van de docenten daar de pers had opgebeld om te melden dat er "een gesluierde vrouw was aangenomen". Ze wilde gewoon een klein schandaal veroorzaken! Er was hiervoor echter geen interesse meer toen de journalist hoorde dat ik leerkracht islamitische godsdienst was... (Leïla).

Integratiestrategieën

Hoe reageren vrouwen die een hoofddoek dragen op het hoofddoekverbod? Hoe slagen ze erin hun professionele ambities te verwezenlijken in een context waarin discriminatie wettelijk is toegestaan?

Uit de getuigenissen van tien vrouwen komen drie soorten strategieën naar voren waardoor ze erin slagen om op de arbeidsmarkt te blijven, ondanks de obstakels.

1. Afstand nemen

Onder een "afstandsstrategie" verstaan we het volledig of gedeeltelijk opgeven van de oorspronkelijke beroepsambitie. Deze strategie kan op verschillende wijzen worden toegepast.

Afstand nemen van een deel van hun identiteit.
Een deel van je identiteit opgeven is geen pijnloos proces. Zij die de hijab hebben afgedaan om een baan te krijgen, hebben daar zwaar onder geleden. Ze spreken van een gevoel van verraad naar zichzelf en hun waarden toe, of ze spreken zelfs van vernedering en het gevoel halfnaakt in het openbaar te staan:

Ik heb ermee ingestemd om hem af te doen om mijn eerste baan te krijgen, maar daarna werd de druk voelbaar. Er werd steeds meer van mij verwacht. Ik werd het slachtoffer van pesterijen. (...) Er werd mij zelfs in mijn privéleven gevraagd om mijn hoofddoek af te doen. Zeker als ik een vaste arbeidsovereenkomst wilde krijgen. Ze beweerden dat ik nooit een baan zou vinden en dat zij mijn enige kans waren om werk te vinden. De directie stuurde haar rechterhand om mij te komen overtuigen. Na vier maanden heb ik opgegeven en meldde ik mij ziek. (Latifa).

Ik zei tegen mezelf: Ik heb er genoeg van, ik moet werken, ik doe deze hoofddoek af, ik wil leerkracht worden. Ik zette een hoed op voor mijn sollicitatiegesprek en kon eindelijk de eed afleggen. (...) Ik ging huilend naar school omdat ik mezelf niet was. Het was een kwelling om mijn hoofddoek af te doen, want de hoed was niet hetzelfde. (Leïla).

Geen erkenning van de verworven kennis. Anderen hebben banen aangenomen waarvoor ze overgekwalificeerd zijn, wat ook tot financieel verlies leidt. Daarnaast moesten sommigen hun oorspronkelijke beroepsambities opgeven en zich heroriënteren. Zij die een carrière in het algemeen onderwijs wilden nastreven, worden door de onderwijsinstelling enkel als leerkrachten godsdienst beschouwd om hun hoofddoek te mogen dragen:

Ik besefte dat ik in de loop der jaren geen echte carrière had opgebouwd. Ik was alleen maar wat aan het klussen. Op jonge leeftijd is dat nog wel te doen, maar met de leeftijd wordt die onzekerheid steeds vervelender (...) Zo is het genoeg! Ik had behoefte aan stabiliteit. Ik dacht toen bij mezelf: godsdienstlerares, want dan speelt de hoofddoek geen rol en kan ik les blijven geven. Ik moest tegelijkertijd ook met talen blijven werken, dus dacht ik: waarom dan niet in het Vlaamse Gewest. (Leïla).

2. De ontwijking

Door de confrontatie niet aan te gaan en het risico op afwijzing te vermijden, sluit men zichzelf af van de reguliere arbeidsmarkt om zich te richten op sectoren en/ of statuten die toegankelijker lijken.

Je eigen baan opzetten. Voor de helft van de ondervraagde vrouwen biedt het zelfstandigenstatuut een oplossing voor de confrontaties met terughoudende werkgevers.

Zich richten op institutionele moslimnetwerken. Drie op de tien vrouwen hebben een baan gevonden bij moslimorganisaties: als juriste, maatschappelijk werkster of vertaalster. Het idee is om waardeoordelen te voorkomen en opzoek te gaan naar een congruentie tussen de persoonlijke overtuigingen en de normen en waarden toegepast op de werkvloer.

Kleur bekennen, ja of nee? Tijdens het verslag van hun traject gaven alle vrouwen aan dat ze er al bij het eerste telefoonggesprek eventueel zouden vermelden dat ze een hoofddoek dragen. Ook de kwestie van de foto op het cv bleek een bezorgdheid te zijn in hun zoektocht naar een baan. Sommigen hebben het gedaan, uit vrees om afgewezen te worden, maar besloten uiteindelijk allemaal om het op te geven. In het achterhoofd blijft het idee toch om zijn geluk te beproeven en optimistisch te blijven, ondanks het risico om afgewezen te worden.

3. De weerstand

Met weerstand bedoelen we het niet toegeven aan de druk opgelegd door de gemeenschap. Voor vrouwen die een hijab dragen en werk zoeken betekent dit de vastberadenheid om in hun totaliteit aanvaard te worden.

Een baan weigeren. Het weigeren van een baan omdat het afdoen van een hoofddoek een conditio sine qua non is, is een daad van verzet. Vier vrouwen bewezen dit al meermaals gedurende hun traject. Het gaat dan om aanwervingsprocedures in één of meerdere stappen (geschreven en mondelinge evaluaties, het ontmoeten van een bemiddelaar...) die resulteerden in een positief gesprek, op voorwaarde dat de hoofddoek niet wordt gedragen tijdens de werkuren. In deze situaties is het vaak bij de laatste stap van de aanwervingsprocedure of naar het einde van het gesprek toe dat een onderhandeling opduikt over het dragen van de hoofddoek. De ‘niet-gebondenheid’ vond dan plaats in zogezegde ‘onderlinge overeenstemming’, beide partijen blijvend bij hun standpunt. Aan de ene kant de kandidate die haar hoofddoek niet wil afdoen, aan de andere kant de werkgever die haar alleen in dat geval zou aannemen.

De hijab accommoderen. De helft van de vrouwen vertelde ons dat ze hun hoofddoek hadden aangepast uit bescheidenheid of om hun imago te "moderniseren": vanachter vastmaken in plaats van vooraan of als bandana dragen. Hoe breder en hoe donkerder de stof, hoe afstandelijker de entourage is, is wat deze vrouwen ervaarden. Ze letten er dus op dat ze een luchtige en kleurrijke hoofddoek dragen die overeenstemt met hun outfit. Deze aanpassing van de hoofddoek wordt echter niet ervaren als een toegeving, maar eerder als een stap richting de andere, om de andere gerust te stellen over de ruimdenkendheid van de draagster.

Doorzettingsvermogen en positieve attitude. Blijven zoeken ondanks de afwijzingen of de pogingen tot ontmoediging en je job uitoefenen ondanks vijandige houdingen zijn uitingen van weerstand:

Naar mijn mening zijn er meerdere manieren om actie te voeren. Voor de meerderheid is dat gaan staken, roepen en betogen. Dat is voor mij ook een vorm van actie voeren. Maar een andere vorm is ‘s ochtends telkens opnieuw opstaan om te gaan werken in een vijandige werkomgeving, waar je er helemaal alleen voor staat. Doen alsof er niets aan de hand is en alles goed gaat, terwijl anderen daar denken dat je niet op je plaats bent, waardoor je het zelf gaat beginnen geloven. Dat is voor mij een sterke vorm van actie voeren, iets waarmee je de mentaliteiten kan veranderen. (Sihem).

Ontwikkeling van eigen kapitaal. Dit is een van de moeilijkste responsen op het probleem. Het kan de vorm aannemen van een ontwikkeling van het academisch kapitaal. Het behalen van meerdere diploma’s wordt beschouwd als een factor voor zelfontwikkeling, maar het is ook een onvermijdelijke troef voor succes in je professionele carrière. In deze pragmatische context is het een strategie dat opportuniteiten biedt, maar ook je zelfvertrouwen verhoogt:

Allochtone vrouwen bevinden zich al in een precaire situatie; en het feit dat ze moslima zijn helpt ook niet. Ik heb verder gestudeerd om later mijn positie op de arbeidsmarkt te versterken. Ik heb aan Solvay (Brussels School of Economies & Management) gestudeerd, wat goed is aangezien je verschillende jobs kan uitoefenen als je daar afstudeert. (...) Maar goed, daar sloot ik ten minste geen deuren voor mezelf. (Sihem).

Deze strategie kan ook de vorm aannemen van een uitbreiding van de sociale kring. De moslimgemeenschap is er zich van bewust dat ze middelen tekortkomen en dat kracht te vinden is in het netwerken en in solidariteit. Bepaalde problemen waar zij mee te maken heeft, zoals dat over de hijab, vinden geen oplossing in de “algemene" publieke sfeer. Bovendien, de jongere generaties organiseren zich rond hun specificiteiten en eisen; en ze trachten hun sociaal kapitaal te versterken.

Discriminatie gebaseerd op religieuze praktijken: neo-racisme

Vandaag is het maatschappelijk niet langer aanvaardbaar om mensen te discrimineren op basis van hun afkomst of hun huidskleur. Daarentegen lijkt het volledig geaccepteerd om mensen te discrimineren op basis van hun religieuze gewoontes. Volgens ons vormt het verbod op het dragen van de hoofddoek één van de actuele vormen van racisme in onze maatschappij. De hoofddoek, en bij uitbreiding de Islam roept nog steeds veel verwarring en afkeer op. Vanuit dit subjectieve perspectief ontstaat er voor de hoofddoek een visie die moslims een vorm van communautaire isolatie toeschrijft. Een perspectief dat steunt op etnocentrisme, machtsverhoudingen en paternalisme. Het doorbreken van het stereotype beeld van de moslimvrouw die een hoofddoek draagt, betekent het bestrijden van verschillende niveaus van discriminatie:

  • De mannelijke dominantie. In een samenleving die beweert te strijden tegen de gendersongelijkheden – namelijk op het vlak van loonverschillen – is het verbazend dat één van de meest kwetsbare klasgroepen wordt uitgesloten. Wat betreft de vrouwen die een hoofddoek dragen wordt de genderongelijkheid versterkt doordat zij in een positie van economische afhankelijkheid tegenover het mannelijke gender worden geplaatst. Dit leidt tot een dubbele discriminatie voor de vrouwen die zich persoonlijk willen emanciperen maar ook tegenover de mannen.
  • De westerse dominantie. Sommige niveaus van dominantie in de maatschappij proberen hun eigen normatieve visie op de vrouwelijke autonomie en zelfs op de burgerschap op te leggen. Deze morele visie, gekleurd door een vorm van wit paternalisme, probeert een eigen interpretatie op te leggen aan een culturele en religieuze praktijk die hun niet toebehoort.
  • De paradoxale richtlijnen van het integratie- en werkgelegenheidsbeleid. Het verbod om te werken of naar school te gaan met een hoofddoek ontneemt vrouwen hun autonomie en legt hun schuldgevoelens op, in de mate waarin de hoofddoek wordt beschouwd als een keuze. Dit is wat blijkt uit de getuigenissen van vrouwen die ontmoedigd worden door arbeidsbemiddelaars en recruiters:

Ik begrijp het niet, ik herinner me dat, wanneer ik klein was, maatschappelijke werkers mijn moeder kwamen ophalen om haar buitenhuis te krijgen, om activiteiten te doen… Alfa lessen, opleidingen om te werken…en nu wil men dat we niet werken?! (Yamina).

We durven ons af te vragen: zou de hoofddoek minder storen bij een poetsvrouw dan bij een universitair geschoolde working girl…?

De gevolgen van discriminatie bij het aanwerven van vrouwen die de hoofddoek dragen zijn meestal zwaar en bedreigen de sociale cohesie. Naast het verlies van vaardigheden en het dalende zelfvertrouwen bestaat het gevaar dat deze vrouwen in een positie van identitaire terugtrekking worden geduwd. Zich handhaven op de arbeidsmarkt vraagt van hen een enorme en permanente inzet en energie. Het gevaar is dat zij zich, uit zelfbescherming, terugtrekken uit situaties waarin zij gestigmatiseerd worden om zich te beschermen, zelfs als ze zich moeten terugplooien op het communautarisme.

Door de deur te sluiten voor sommige van deze vrouwen wordt een duidelijke boodschap gegeven: motivatie, inzet en zelfs academisch succes volstaan niet om een eigen plaats in de samenleving te verwerven. Dit leidt tot de gedachte dat iemands plaats afhankelijk wordt van de mate waarin men kan opgaan in de menigte en niet “veeleisend is”. Voor de vrouwen die de hoofddoek dragen gaat het niet om het opeisen van het recht die te dragen – dat grondwettelijk recht staat normaal gezien vast en hun hoofden behoort hun toe; wat zij werkelijk opeisen, is het recht op gelijke behandeling en het recht om te werken.

Het feit dat vrouwen die van Belgische afkomst zijn en zich tot de Islam hebben bekeerd ook slachtoffer zijn van discriminatie door hun hoofddoek, toont aan dat de discriminatie door hun hoofddoek waarvan zij het voorwerp zijn niet te maken heeft met hun afkomst, maar met religieuze cultuur. We kunnen hier dus spreken van een vorm van cultureel racisme, waarbij islamofobie functioneert als een essentialisering van de islamitische cultuur. Het is niet meer de nationale oorsprong of de huidskleur die wordt verworpen, maar wel hun verbondenheid die openlijk vertoond wordt met hun cultuur en religieuze praktijk.

Voetnoten

[1De Belgische wet van 7 mei 1999 betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen wat betreft de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot werk en promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende stelsels van sociale zekerheid. De Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming. De Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. De Belgische wet van 10 mei 2007 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden, en tot bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen en van bepaalde andere vormen van discriminatie.