Het Observatorium is met vakantie in augustus! We profiteren ervan om enkele oude artikels met actuele waarde opnieuw te publiceren!
Afdrukbare versie van dit artikel Afdrukbare versie

Opleiding Sociale klassen

De Belgische universiteit is er een voor de elites

19 september 2015 Joël Girès Joël Girès

CC by

Het onderstaande citaat uit 2013 is afkomstig van de rector van de Universiteit van Luik (ULg):

De democratisering en de massificatie van het hoger onderwijs [...] bedreigen het universitaire model zoals wij dat vandaag kennen en […] tonen duidelijk aan dat het niet adequaat is: door de overbevolkingsdruk zijn wij niet in staat om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Er zijn twee remedies: het malthusianisme met de controle op de toegang en de selectie, of de grondige hervorming van de onderwijsbenadering en -middelen[…] [1]

Op het eerste gezicht kan het verbazing wekken dat een universitaire rector de ’democratisering’ als een gevaar bestempelt. Is het net niet goed dat steeds meer personen toegang hebben tot de universiteit? Dit is blijkbaar niet het geval, aangezien er maatregelen overwogen worden om deze democratisering tegen te gaan, zoals de controle op de toegang (waarschijnlijk door toelatingsexamens). De vraag stelt zich welke gevolgen deze voorafgaandelijke selectie heeft voor de verschillende lagen van de bevolking. Maar alvorens deze vraag te behandelen, moet de vraag gesteld worden of de universiteit werkelijk aan het ’democratiseren’ is.

Is er een "democratisering" van het hoger onderwijs?

Het openbaar hoger onderwijs is toegankelijk voor iedereen, en ondanks de moeilijkheden die bepaalde studenten meer ervaren dan andere, zou een grotere inspanning van hun kant volstaan om de hindernissen op hun weg te overwinnen. Met andere woorden, het hoger onderwijs is vandaag de dag sterk ’gedemocratiseerd’. Dit is een wijdverbreid idee. Om dit idee te testen op zijn waarheidsgehalte, heb ik een kleinschalig onderzoek uitgevoerd bij de studenten van het eerste jaar in de richting sociologie en antropologie van de ULB. Ik heb gepeild naar het hoogste diploma van hun ouders [2]. Vervolgens heb ik mijn resultaten vergeleken met de diploma’s van de Belgische bevolking tussen de 40 en 65 jaar [3] (om te vergelijken met personen van dezelfde leeftijd als de ouders van de studenten). Deze vergelijking is te zien in de grafieken 1 en 2.

PNG

Grafiek 1 toont de vergelijking tussen de diploma’s van de vaders van de studenten (in het groen) en de diploma’s van de Belgische mannen (in het rood). Grafiek 2 vergelijkt de moeders van de studenten (in het groen) met de Belgische vrouwen (in het rood). Indien de toegang tot de universiteit democratisch was, zou de verdeling van de diploma’s van de ouders min of meer dezelfde zijn als die in de volledige Belgische bevolking. Maar dit is niet het geval. In het eerste jaar aan de universiteit ziet men een ondervertegenwoordiging van studenten met laag gediplomeerde ouders en een oververtegenwoordiging van studenten met hoog gediplomeerde ouders. Dit betekent dat wie ouders heeft met lage diploma’s, minder kans heeft om tot de universiteit toe te treden dan wie ouders heeft met een diploma van het hoger onderwijs. Bijvoorbeeld: 61,3% van de studenten in eerste jaar sociologie en antropologie heeft een vader met een diploma van het hoger onderwijs (hogeschool of universiteit), terwijl slechts 27,6% van Belgische mannen tussen 40 en 65 jaar een diploma van dat niveau bezit. Deze vaststelling geldt ook voor de vrouwen: 67,2% van de studenten heeft een moeder met een diploma van het hoger onderwijs, terwijl slechts 28,6% van de Belgische vrouwen dit studieniveau heeft bereikt.

Natuurlijk mogen op basis van zo’n kleine steekproef geen voorbarige conclusies getrokken worden: ik heb dit onderzoek enkel aan de ULB gevoerd, tijdens één enkel academiejaar, en alleen in de richting sociologie en antropologie. Toch geloof ik dat deze resultaten niet enkel van het toeval afhangen. Ze lopen immers gelijk met een breder onderzoek dat in 1996 in het hoger onderwijs werd uitgevoerd [4]. Hieronder staat een tabel afkomstig van dit onderzoek:

Tabel 1: Diploma van de vaders van de studenten van het hoger onderwijs vergeleken met het diploma in de Belgische bevolking (resultaten van A. M. De Kerchove en J. P. Lambert)
Hoogst behaalde diplomaStudenten hoger onderwijs: diploma van de vaderDiploma van de mannelijke bevolking tussen 40 tot 60 jaar
Lager 10,5% 28,5%
Secondaire 30,2% 50,7%
Hogeschool 24,3% 11,8%
Universiteit 35,0% 9,0%
Totaal 100% 100%

Een andere studie uit 2004 over de studenten van de UCL gaat in dezelfde richting en toont aan dat, ongeacht de afdeling, ten minste 60% van de studenten een vader of een moeder hebben die hoger onderwijs heeft gevolgd (de verhouding bedraagt zelfs meer dan 80% voor de studenten van de faculteit toegepaste wetenschappen) [5].

De vaststelling spreekt voor zich: de toegang tot de universiteit is vandaag nog in ruime mate weggelegd voor studenten die ouders met hoge diploma’s hebben. Derhalve klopt de bewering niet dat het hoger onderwijs ’gedemocratiseerd’ is: uit de feiten blijkt dat het een onderwijs blijft voor reeds bevoorrechte kinderen. Hoe is dit te verklaren? Ten eerste hebben de hooggediplomeerde ouders sterke verwachtingen van hun kinderen, en dit komt tot uiting (o.a.) door universitaire studies aan te vangen [6]. Ten tweede groeien de kinderen van hooggeschoolde ouders op in een familiale sfeer waarin de onderwijscultuur wordt gevaloriseerd (zoals aanzetten tot lezen), wat hun slaagkansen in hun volledige schoolloopbaan verhoogt [7]. Ten derde zijn de ouders met hoge diploma’s eveneens ouders met bevoorrechte beroepen en hoge inkomsten [8]. Aldus beschikken hun kinderen gemakkelijker over de financiële middelen die noodzakelijk zijn om lang te studeren, want hogere studies zijn duur [9].

Voorafgaandelijke selectie als oplossing?

Als antwoord op de financiële problemen die voortvloeien uit de ’democratisering’ (die er niet echt een is, zoals we net hebben gezien), adviseren de rectoren studenten die niet slagen uit te sluiten, omdat ze duur zijn voor de universitaire instellingen. Twee oplossingen worden naar voren geschoven: ofwel hun de toegang tot de universiteit ontzeggen via toelatingsexamens, ofwel hen zo snel mogelijk uitsluiten eens dat ze niet slagen. De Katholieke Universiteit Leuven (KUL) overweegt alvast de tweede optie. De bedoeling is dat studenten die minder dan 30% in het eerste jaar hebben behaald, dezelfde studierichting niet meer kunnen overdoen. Dit is wat de rector van de KUL erover zegt:

Het bestaan van deze nieuwe maatregel zal degenen die het noodzakelijke talent hebben, stimuleren om zich echt op hun studies te storten in plaats van jaren te verliezen zonder resultaat. Het is dus een echte sociale maatregel, die zowel de student zelf ten goede komt, als de ouders, en de hele maatschappij die 12.000€ per jaar per student betaalt [10].

Deze maatregel zal voor ’sociaal’ gevolg hebben dat er nog meer studenten uit bescheiden milieus worden uitgesloten van de universiteit. Net zoals de toegang tot de universiteit, varieert het slaagcijfer aan de universiteit immers sterk naargelang de sociale afkomst. Ziehier een opvallend resultaat uit een onderzoek uit 2001 [11] :

Tabel 2: Slaagkans in het eerste jaar aan de UCL in 1999 in functie van het diploma van de moeder van de student (resultaten van L. De Meulemeester)
Diploma van de moederSlaagkans
Lager onderwijs 18,8%
Hoger secundair 32,3%
Hogeschool 48%
Universitair 60,5%

Als de ’oplossing’ bestaat uit selectie en uitsluiting, wordt de universiteit waarschijnlijk nog meer elitair en ongelijk dan dit nu al het geval is. Gezien ze geconfronteerd zijn met een gebrekkige financiering, is dit helaas de weg die de Belgische universiteiten inslaan [12]. Nochtans is het moeilijk om te begrijpen hoe de uitsluiting van bescheiden bevolkingslagen leidt tot het behoud van de universitaire instelling, tenzij men het model voorstaat van de 19de-eeuwse universiteit die enkel toegankelijk is voor de elites. Toch is een andere weg mogelijk: de universitaire instellingen zijn niet verplicht om hun budgetten te oriënteren naar de elites noch om louter toeschouwers te zijn van de afbraak van het openbare onderwijs. Zij zouden integendeel grootschalige acties kunnen ondernemen teneinde een herfinanciering van het hoger onderwijs te verdedigen en zich op te stellen als een openbare dienst voor de volledige bevolking.

Vertaling naar het Nederlands : Marie-Eve Cosemans

Voetnoten

[2Ik heb dit onderzoek gevoerd aan het begin van het academiejaar 2014-2015. Zo kwam ik van een zestigtal studenten te weten over welke diploma’s hun ouders beschikken. Met dank aan de studenten voor hun deelname.

[3De gegevens die gebruikt werden om het aandeel diploma’s van de Belgische bevolking te berekenen zijn afkomstig uit het onderzoek The European Social Survey (ESS) uit 2012. De steekproef bestaat uit 400 mannen en 417 vrouwen. De database is vrij toegankelijk op de website: http://www.europeansocialsurvey.org.

[4Resultaten afkomstig van een artikel van A. M. De Kerchove en J. P. Lambert (1996) en geciteerd in: M. Van Campenhoudt, F. Dell’ Aquila en V. Dupriez, 2008, La démocratisation de l’enseignement supérieur en Communauté française de Belgique : état des lieux, Les Cahiers de Recherche en Éducation et Formation, https://www.uclouvain.be/cps/ucl/doc/gebi/documents/cahier_65_Van_Campenhoudt_et_al_VD.pdf.

[5Resultaten uit een communicatie van B. Delvaux (2004) en geciteerd in : M. Van Campenhoudt, F. Dell’ Aquila et V. Dupriez, op. cit.

[6M. Van Campenhoudt, C. Maroy, 2010, Les déterminants des aspirations d’études universitaires des jeunes de dernière année secondaire en Communauté française de Belgique, Les Cahiers de Recherche en Éducation et Formation, https://www.uclouvain.be/cps/ucl/doc/girsef/documents/cahier_77_Van_Campenhoudt_corr.pdf.

[7G. Henri-Panabière, 2010, Élèves en difficultés de parents fortement diplômés. Une mise à l’épreuve empirique de la notion de transmission culturelle, Sociologie, http://www.cairn.info/zen.php?ID_ARTICLE=SOCIO_004_0457.

[11Resultaten afkomstig uit de scriptie van L. De Meulemeester (2001) en geciteerd in: M. Van Campenhoudt, F. Dell’ Aquila en V. Dupriez, op. Cit.